Griekse Geschiedenis na 1453 deel 1

Griekse Geschiedenis

deel 1

van 1453 tot en met 1944

1453

De Byzantijnse hoofdstad Constantinopel viel op dinsdag 29 mei 1453 na een lange belegering in handen van de Ottomanen. Sindsdien is de dinsdag een ongeluksdag en er is zelfs een modern Grieks gezegde dat je op dinsdagen geen belangrijke zaken moet doen.

De Byzantijnen verkeerden bij de val van de stad echter in de veronderstelling dat de Ottomaanse overheersing niet al te lang zou duren, omdat de Dag des Oordeels zou aanbreken in het jaar 1492. Dat liep anders en de Ottomanen bleven ongeveer 370 jaar. Tijdens hun overheersing stonden zij wel verschillende religies toe naast hun eigen geloof, de islam. Zo waren er, naast de moslims, een orthodoxe bevolkingsgroep, een gregoriaanse, een joodse, een katholieke en zelfs een protestantse. Deze groepen hadden een zekere mate van autonomie en werden geleid en geregeerd door hun respectievelijke geestelijke leiders, die zelf onder de Ottomaanse sultan vielen. De macht en de privileges van de kerkleiders onder de Ottomaanse sultan was groter dan onder de Byzantijnse keizers. De patriarch van de orthodoxe kerk mocht zich echter alleen met geloofszaken bezighouden en met zaken die het alledaagse leven betroffen. Daarnaast werd er volledige loyaliteit aan de sultan verwacht. Het gebrek aan loyaliteit aan de sultan werd uiteindelijk de dood van de patriarch van Constantinopel toen, na 370 jaar bezetting, de Onafhankelijkheidsstrijd begon en de patriarch de zijde van de opstandelingen koos. De geestelijke leiders van de orthodoxe kerk werden op gruwelijke wijze geëxecuteerd. Die executie riep krachtige protesten op van de westerse wereld.

 

Tijdens de Ottomaanse periode bediende de orthodoxe kerkleiding zich van hebzucht, corruptie en geïnstitutionaliseerde uitbuiting, die vermoedelijk kwalijker waren dan de wreedheden van de Ottomanen. Daardoor ontstond er onder de bevolking een antiklerikale houding. De lagere echelons van de orthodoxe kerk concentreerden zich vooral op onderwijs in de Griekse taal en cultuur.

Ondanks dat andere geloven tijdens de Ottomaanse overheersing gedoogd werden, kan er niet gesproken worden van gelijkheid. Zo woog in juridische zaken het woord van een moslim zwaarder dan dat van een christen. Een christen mocht geen wapens dragen en moest meer belasting betalen dan een moslim. Deze belasting werd haradj genoemd. Dit woord heeft de tijd doorstaan en wordt momenteel gebruikt voor de onroerendgoedbelasting die inwoners van Griekenland heden ten dage betalen. Χαράτσι betekende oorspronkelijk echter belasting voor niet-moslims of dwangsom.

Een ander fenomeen was dat de Ottomanen kinderen uit Grieks orthodoxe gezinnen haalden en opleidden tot een elite-onderdeel in het Ottomaanse leger of tot bureaucraten in dienst van de sultan.

Om aan de discriminatie te ontkomen bekeerden vele Grieken zich voor de buitenwereld tot de islam, terwijl zij heimelijk het orthodoxe geloof bleven aanhangen.

 

16e en 17e eeuw

De 16e en 17e eeuw waren de duistere eeuwen in de Griekse geschiedenis. Zo af en toe was er een kleine opstand tegen de Ottomaanse onderdrukking of kwamen Venetianen een kortere of langere periode in bepaalde gebieden de dienst uitmaken. De Ottomanen waren dus niet onverslaanbaar, maar de ongeorganiseerdheid van het verzet leidde ertoe dat slechts kleine gebieden of steden – zoals Nauplion – voor kortere of langere perioden onder Venetiaans gezag kwamen te staan. In Nauplion hielden de Venetianen de Ottomanen buiten de stadspoorten tot 1540. En zij kregen de stad opnieuw in handen van 1686 tot 1715.

 

De kleftes waren een voorbeeld van Grieks nationalisme en in eerste instantie kleinschalig verzet tegen de Ottomanen. Zij waren zowel tegen de Ottomanen als tegen de Grieken die voor de Ottomanen werkten. Hun overvallen op bijvoorbeeld belastinginners droegen bij aan hun Robin Hood imago. Het waren dappere en strijdbare vechtersbazen die het de Ottomanen zeer lastig maakten in bergachtige delen van de Peloponnesos. En de door de Ottomanen geleide christelijke milities konden niet tegen de kleftes op. Κλέφτης in Nieuw Grieks betekent zowel dief of rover, als vrijheidsstrijder.

 

18e en 19e eeuw

In de loop van de 18e eeuw deden zich in het Griekse deel van het Ottomaanse rijk een aantal belangrijke veranderingen voor, waardoor er vaker werd gedacht aan het starten van een onafhankelijkheidsstrijd tegen de Ottomanen. Helaas bleek het erg moeilijk om de fatalistische Grieken te bewegen tot actie. Of men baadde in de rijkdom verkregen door samenwerking met de moslims of men geloofde te sterk in het lot (van onderdrukte). Uiteindelijk zijn aan het eind van de 18e eeuw de eerste sporen zichtbaar van een nationale verzetsbeweging.

 

Een van de belangrijke veranderingen was de vermindering van de militaire capaciteiten van de Ottomanen in het Griekse deel, omdat hun rijk door verschillende landen werd aangevallen: Rusland in het noorden, Perzië in het noordoosten en Oostenrijk in het noordwesten. De militaire aandacht moest verlegd worden naar de grenzen om de aanvallen te kunnen afslaan. Dat lukt niet overal en het Ottomaanse rijk werd langzaam maar zeker kleiner. Een ander effect van de problemen met Rusland, Perzië en Oostenrijk was dat er minder aandacht was voor binnenlandse aangelegenheden zoals anarchie in de provincie. Sommige door de sultan aangewezen plaatselijke leiders gingen zich als onafhankelijk leider gedragen. Een goed voorbeeld is de moslim Albanees, Ali Pasha (1740-1822), die zijn zaken in Epirus regelde vanuit Ioannina.

 

Een andere belangrijke ontwikkeling was het ontstaan van het ondernemerschap aan het eind van de 18e eeuw en begin van de 19e eeuw, waardoor een welvarende klasse ontstond van Griekse origine. Hun activiteiten vonden zowel binnen als buiten het Ottomaanse rijk plaats en Grieks werd de lingua franca voor de handel op de Balkan, delen van Rusland en tot zelfs in India. Maar ook werd volop gebouwd aan een handelsvloot. Men profiteerde daarbij enorm van de oorlog tussen een coalitie van zeven landen (Engeland, de verenigde Nederlanden, Rusland, Pruisen, Zweden, Oostenrijk en een aantal Duitse staten met Frankrijk in het begin van de 19e eeuw (Napoleon en de Slag bij Waterloo in 1815), die op dat moment geen tijd hadden om handel te drijven.

De handelaren waren verantwoordelijk voor een economische ontwikkeling, maar ook voor het voortduren van de intellectuele ontwikkeling tijdens de laatste drie decennia van de 18e en de eerste twee van de 19e eeuw en droegen bij aan een nationaal bewustzijn. Men was eerder Griek dan een orthodoxe katholiek. De handelaren subsidieerden scholen en bibliotheken en publicaties (buiten het Ottomaanse rijk) voor een Grieks publiek. Ook werd het mogelijk gemaakt voor jonge Grieken om aan buitenlandse universiteiten te studeren, waardoor zij in contact kwamen met de ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie (1789-1799).

 

Zij behielden echter hun Griekse taal, cultuur en het bewustzijn van de Griekse antieke geschiedenis en beschaving. Tijdens de eeuwen van Ottomaanse overheersing was die antieke beschaving zo goed als vergeten, maar de nieuwe intelligentsia was zich er terdege van bewust dat zij erfgenamen waren van de oorsprong van de westerse beschaving. Dat werd mede veroorzaakt door de belangstelling voor die periode van de Europese kunstenaars uit het tijdperk die wij Neoclassicisme (1780-1820) noemen. Deze periode liep parallel met die uit de filosofie van de Verlichting en de kunstenaars lieten zich inspireren door de cultuur van de klassieke Grieken en van de Romeinen. Ingres en David zijn bijvoorbeeld neoclassicistische schilders; de belangstelling voor de klassieke beschaving kon ontstaan door de archeologische vondsten zoals Pompeï in 1748, maar ook door Napoleon die kunstschatten meenam uit o.a. Egypte. In dat verband waren ook de geschriften van Johann Joachim Winckelmann van belang. Meer informatie over hem vind je in het hoofdstuk 'De Griekse beeldhouwers'.

 

Onderwijs werd als enige mogelijkheid beschouwd om onder het juk uit te kunnen komen van zowel de Ottomaanse overheersers als dat van de orthodoxe kerkleiding, die tenslotte heulde met de sultan.

De situatie was ingewikkeld geworden door de bevoorrechte posities van een behoorlijk aantal Grieken, die baat hadden bij een voortbestaan van het Ottomaanse rijk. Zij waren als het ware opgesloten in de Ottomaanse status quo.

Grieken buiten het Ottomaanse rijk waren dan ook veel meer uitgesproken in hun nationalisme en vonden een onafhankelijkheidsstrijd belangrijker dan Grieken binnen het Ottomaanse rijk, die als zij niet tot de bevoorrechte groep behoorden vaak ongeletterd en ongeorganiseerd waren. Er moest dus iets gebeuren om dat bewustzijn bij de in het Ottomaanse rijk wonende Grieken te activeren.

De eerste die dat probeerde was Rhegas Velestinlis (1757-1798) uit de provincie Thessalië, die door zijn werk als koopman veel in het buitenland kwam en beïnvloed was door de ideeën van de Franse Revolutie. Hij trad in contact met Napoleon Bonaparte en wilde overleggen met een Ventiaanse legercommandant. De Venetianen waren namelijk regelmatig al in oorlog geweest met de Ottomanen. Op zijn weg naar Venetië werd hij verraden door een Griekse zakenman (Demetrios Kozanites) en door Oostenrijkse autoriteiten gearresteerd en uitgeleverd aan de sultan van het Ottomaanse rijk. Oostenrijk moest niets hebben van de Franse revolutie omdat het vreesde dat iets soortgelijks zou kunnen gebeuren in Oostenrijk. Op weg naar zijn berechting werd hij vermoord omdat de bewakers die hem begeleidden bang waren dat hij door medestanders bevrijd zou kunnen worden. Rhegas Velestinlis (ook bekend onder de naam Rigas Feraios) was het die de regels dichtte:

 

beter een uur vrij leven,

dan veertig jaar slavernij en gevangenis.

 

Zijn laatste woorden zouden zijn geweest:

 

Ik heb gezaaid, en nu

is het uur aangebroken voor mijn land

om de heerlijke vruchten te plukken

 

1814

De dood van deze martelaar was de aanleiding voor drie mannen in Odessa (Emmanouil Xanthos, Nikolaos Skouphas en Anasthasios Tsakaloff) een geheim verbond op te richten met het doel de vrijheid van het moederland (Griekenland) te bewerkstelligen. Men noemde het verbond Philiki Etairia of Vereniging van Vrienden (φιλική εταιρεία). De bevrijding van het moederland zou door een gewapende en gecoördineerde strijd gerealiseerd moeten worden. In het begin trok de vereniging weinig nieuwe leden, maar na 1818 werden steeds meer Grieken (vooral van buiten het Ottomaanse rijk) lid. In dat jaar verhuisde de vereniging van Odessa naar Constantinopel.

 

1820-1821

Tot een paar maanden voor het uitbreken van de Onafhankelijkheidsstrijd in het voorjaar van 1821, waren er echter niet meer dan 1000 leden, de meesten waren rijke kooplieden. De vereniging kon op de steun van Rusland rekenen hoewel de leiding die steun zag als een vorm van misleidende samenzwering.

De lagere echelons van de Grieks orthodoxe kerk bemoeide zich binnen het Ottomaanse Rijk veel met het dagelijks leven van de gewone Griek omdat de kerk zich vooral bezighield met het in stand houden van de Griekse (orthodoxe) cultuur en het onderwijs. De ongeletterde en ongeorganiseerde Grieken zagen in de lagere echelons van de orthodoxe kerk daardoor een bondgenoot tegen de Ottomanen en hadden niet veel op met Philiki Etairia, als ze er al van wisten.

De van Korfoe afkomstige Griek Ioannis Kapodistrias was in dienst van de Russische tsaar als minister van Buitenlandse Zaken en werd gevraagd om de vereniging te leiden, maar hij was van mening dat het doel van de Philiki Etairia dom was en gedoemd te mislukken. Hij verraadde de vereniging echter niet, maar wilde geen lid worden en zeker geen leider. Het leiderschap werd vervolgens (in 1820) aangeboden aan Alexander Ypsilantis, ook in dienst bij de Russische tsaar (als adjudant). Hij accepteerde het leiderschap, maar zijn plannen om Bulgarije en Servië te betrekken bij de Onafhankelijkheidsstrijd mislukten omdat de vereniging te veel de nadruk legde op de Griekse kerkelijke en culturele eenheid.

 

De aandacht van de toen regerende sultan Mahmood II ging vooral naar de hiervoor genoemde Ali Pasha, de moslim krijgsheer die de dienst uitmaakte in Epirus (in het noorden van Griekenland). Mahmood II wilde daar orde op zaken stellen met een flink leger, waardoor zijn aandacht werd afgeleid van de rest van het Griekse deel van het Ottomaanse rijk.

Hierdoor was het in het vroege voorjaar van 1821 mogelijk voor Ypsilantis om het Ottomaanse rijk binnen te trekken vanuit Moldavië (bij het huidige Roemenië). Helaas kreeg hij geen steun van de Roemenen en was hij gedwongen om zich na enkele weken terug te trekken en te vluchten naar Habsburgs grondgebied.

Los van de acties van de Philiki Etairia waren er begin 1821 ook spontane opstanden op de Peloponnesos. Bisschop Germanos III van Patras had op 25 maart in het klooster van Agia Lavra de Griekse vlag gezegend en opgeroepen tot revolte. En een paar dagen eerder was er een opstand uitgebroken in het zuiden van de Peloponnesus. Daar werden de Ottomanen verdreven uit Kalamata.

De Ottomanen waren op de Peloponnesus in de minderheid en werden uit het bergachtige binnenland verdreven naar de kuststreken van de Peloponnesos. Verschrikkelijke wreedheden vonden aan beide zijden plaats. De kennis van de omgeving en ervaring in strijd van de kleftes was van enorme waarde voor de opstandige Grieken. Door de vaardigheden als piraat wonnen zij ook op zee menige slag zodat een groot deel van de Egeïsche Zee niet langer door Ottomanen werd gedomineerd.

 

Toen het nieuws van de Griekse strijd West-Europa bereikte was er veel enthousiasme om de Grieken te steunen in hun strijd. Vele vrienden van Griekenland (Philhellenen) meldden zich als vrijwilliger. De bekendste onder hen was de Engelse dichter, Lord Byron. De teleurstelling onder de vrijwilligers was echter groot toen men merkte dat de gemiddelde Griek in 1821 weinig van doen had met de normen en waarden van Perikles, maar aan de andere kant was het opstandige Griekenland ook een romantische plek om oorlogje te voeren tegen de Ottomanen. En er waren natuurlijk ook liberale idealisten en sommigen hebben zeker bijgedragen aan militaire successen. Je komt hun namen tegen op de vele monumenten die zijn opgericht ter nagedachtenis aan de slachtoffers.

 

1822-1823

De plaatselijke overwinningen (de Ottomanen werden niet in één keer verslagen, maar de gehele Onafhankelijkheidsstrijd zou tot 1832 duren) riep de vraag op hoe het gebied – na de onafhankelijkheid – zou moeten worden bestuurd. Al in 1822 werd er een provisorische regering geïnstalleerd die een eerste ontwerp voor een grondwet maakte. In die tijd was dat een enorm liberaal fenomeen en vooral gebaseerd op de Verlichting uit West-Europa. In 1823 werd die grondwet een keer herzien en drie lokale regeringen werden samengevoegd tot één centrale.

 

1824-1825

Dat leidde echter niet tot eenheid en er was korte tijd sprake van een onderlinge (burger)oorlog in de periode 1824-1825 op de Peloponnesos. Deze onenigheid was vooral gebaseerd op regionale en politieke belangen. De Grieken die hun positie en rijkdom aan de Ottomanen te danken hadden, wilden die niet afstaan of delen met anderen. De kleftes die in het leger hadden gevochten tegen de Ottomanen wilden echter wel wat in politieke zin te zeggen krijgen. De bekendste was Theodoros Kolokotronis (1770-1843). Hetzelfde gold voor de reders die hun boten hadden ingezet voor de bevrijding van Griekenland. Het kon dus niet anders dan dat de oude (Griekse) elite na het verslaan van de Ottomanen zou moeten inleveren.

Men kan ook zeggen dat de achtergrond van de Onafhankelijkheidsstrijd eigenlijk tevens een machtsstrijd was tussen de militairen (democraten) en de traditionele, oude aristocratie.

De Griekse samenleving had zich onder de Ottomaanse heerschappij anders ontwikkeld dan West-Europa. De oude elite zag de Onafhankelijkheidsstrijd als een strijd voor hun eigen oligarchie, vrij van de Turken. Geen wonder dus dat zij later werden bestempeld als 'christelijke Turken'.

 

1825

Terwijl de Grieken onderling aan het ruziën waren, kregen zij het in militair opzicht zwaar te verduren. De Ottomaanse sultan had de hulp ingeroepen van zijn bondgenoot Mehmet Ali van Egypte. Hij stuurde in 1825 zijn zoon Ibrahim Pasha (1789-1848) om de opstand op de Peloponnesos te onderdrukken en deze man hield flink huis onder de bevolking. Duizenden Grieken werden gedood of als slaaf naar Egypte getransporteerd. De overgebleven in het nauw gedreven Grieken vroegen hulp aan de westerse mogendheden en zowel Engeland, als Frankrijk en Rusland probeerden te interveniëren. De beslissende slag voor de bevrijding van de Peloponnesos zou twee jaar later (eind 1827) door de alliantie worden toegediend bij Navarino (het huidige Pylos aan de westkant).

 

1827-1831

De vloot van de geallieerden versloeg de Ottomaans-Egyptische, mede omdat de Ottomanen zelf ook nog hun leger moesten inzetten in een aparte oorlog met Rusland (1827-1829) naar aanleiding van een ruzie over het door de Ottomanen afsluiten van de Dardanellen, waardoor de vaarroute van de Zwarte Zee naar de Middellandse Zee gestremd werd.

 

Een jaar eerder (1827) had een voorlopige Griekse regering in het dorpje Troizen een derde algemene vergadering gehad en daarbij Kapodistrias benoemd tot president van het Onafhankelijke Griekenland. Hij kon die benoeming in januari 1828 effectueren, toen de Peloponnesos bevrijd was van de Ottomanen.

Kapodistrias was een diplomaat in hart en nieren, maar evenwel opgeleid in de Russische autocratie en zodoende had hij weinig op met het liberale gedachtegoed van de rest van de assemblee. In plaats daarvan installeerde hij een raad van 27 mannen die slechts twee missies had: een sterke bodem leggen voor een nieuwe staat en de grenzen ervan aan de buitenkant bepalen. Daarbij stuitte Kapodistrias en zijn raad op vele problemen, zoals het vormgeven van een administratief apparaat, een onderwijssysteem bedenken en proberen de economie leven in te blazen. Hij hoopte op steun van de boerenbevolking, want hij werd vooral tegengewerkt door de militaire leiders en de notabelen van de Peloponnesos, die probeerden een zo groot mogelijk deel van het land in handen te krijgen.

Het was ook niet echt handig van hem om de militairen dieven te noemen, de elite christen Turken en de intelligentsia stommeriken. De ondernemers noemde hij de kinderen van Satan. En tenslotte beperkte hij de macht van een bepaalde clan in de Mani (in het zuiden van de Peloponnesos) en dat werd zijn dood. Hij werd vermoord door twee leden uit de clan (Mavromichali) in 1831 toen hij een kerk in Nauplion verliet. Hij werd gezien als een pion van de Russische tsaar en westerse mogendheden, die de macht van Griekse groepen wilden beperken.

 

1832

Griekenland bestond in 1832 uit Athene, de Peloponnesos, de Cycladen en een deel van het vasteland. In mei 1832 waren de legers van het Ottomaanse rijk verdreven uit Griekenland, maar hoe en vooral door wie zou het vrije Griekenland worden bestuurd?

Dat was de grote vraag waar de grote alliantie zich mee bezighield.

Het was zeer opvallend en wellicht kenmerkend voor de situatie dat Griekenland zelf niet betrokken was bij het overleg tussen Engeland, Frankrijk, Rusland en Beieren over de condities waaronder de 17-jarige Otto het koningschap van Griekenland zou accepteren. Engeland, Frankrijk en Rusland voelden zich de beschermers van de Griekse natie en de Grieken zelf werden daarbij over het hoofd gezien. Dat zou de jonge, niet al te talentvolle koning nog noodlottig worden, maar de vijfde nationale vergadering had ingestemd met het voorstel van de grote alliantie om Otto te accepteren.

De troon was eerder aangeboden aan prins Leopold van Saksen Coburg, die later koning van België zou worden, maar deze bedankte voor de eer, omdat hij gehoord had hoe Kapodistrias aan zijn einde was gekomen.

 

De grootste problemen waarvoor Otto bij zijn aantreden stond waren het ontbreken van infrastructuur en het ontwikkelen van de Griekse identiteit. De leiders van de staat moesten zowel een staat (een soeverein land met grenzen, een eigen overheid en infrastructuur) als een natie (het geheel van de bevolking met een eigen identiteit) creëren en vooral loyaliteit aan de staat zou een enorm probleem blijken te zijn. Traditioneel had men niets op met de overheid, want men had een geschiedenis van bijna 400 jaar Ottomaanse overheid achter de rug. Traditioneel kwam de familie op de eerste plaats, het dorp op de tweede en de regio op de derde.

De Griekse identiteit kreeg uiteindelijk vorm in het Megali Idea. Η μεγάλη ιδέα betekent het grote idee, denkbeeld, gedachte. Slechts een derde van de Grieken uit het Ottomaanse rijk woonden in het Griekse koninkrijk van 1832.

De Grieken leefden voordien in alle uithoeken van het Ottomaanse rijk, van Albanië in het westen tot in het Pontosgebergte ten zuiden van de Zwarte Zee in het oosten. Er waren Grieks sprekende moslims op Kreta en Cyprus, terwijl de Grieken in steden als Smyrna Turks spraken. Het Megali Idea was een ideologie van een grote staat voor alle Grieken, geënt op het Byzantijnse rijk.

Otto heeft zich in Griekenland, ondanks zijn vele fouten, vooral staande kunnen houden door steeds weer terug te komen op het Megali Idea. Niet alleen in Griekenland domineerde deze gedachte of dit ideaalbeeld; ook landen als Albanië, Servië, Roemenië en Bulgarije hadden hun variant.

Een van de problemen was dat de grote handelssteden uit het oude Ottomaanse rijk waar veel geld werd verdiend, onder Ottomaans bewind bleven. Smyrna, Thessaloniki en Constantinopel bleven daardoor een grote aantrekkingskracht op de Griekse zakenlui uitoefenen.

Otto was nog minderjarig toen hij de troon besteeg. Hierdoor werd het land tussen 1832 en 1835 bestuurd door drie Beierse regenten, die geen enkel gevoel hadden voor Griekse traditie en vrijwel alle instellingen inrichtten naar West-Europees model. Het schoolsysteem werd een mengeling van het Franse en het Duitse en het straf- en burgerlijk recht werden vormgegeven naar Romeins recht, zoals dat ook gebruikelijk was op het Europese continent. Niet of nauwelijks werden traditionele Griekse gebruiken of wetten opgenomen in de nieuwe wetgeving.

Er werden vele fouten gemaakt; een ander voorbeeld daarvan was dat er weinig officieren in het leger benoemd werden die hadden gevochten in de Onafhankelijkheidsstrijd. Liever benoemde men vrienden van de nieuwe koning uit Beieren. Dat werkte niet positief op het creëren van draagvlak in het leger of in de samenleving, laat staan op het werken aan loyaliteit.

 

1833-1837

Als onderdeel van het Megali Idea werd het toen nog stoffige dorp Athene aan de voet van de Akropolis in 1833 tot hoofdstad benoemd. Er werd een universiteit geopend en men ging zich concentreren op bestudering van de klassieke oudheid om zich daarmee definitief te kunnen ontdoen van het Ottomaanse juk.

Eenmaal geïnstalleerd in Athene beging Otto opnieuw een fout. Hij weigerde in 1835 namelijk om een constitutionele democratie te aanvaarden. Vooral de Engelsen vonden dat heel vervelend, maar het (orthodoxe) Rusland nam hem zijn derde misser nog kwalijker. Otto was namelijk katholiek en katholiek gebleven na zijn aanvaarding van het koningschap van een overwegend orthodox land. Als koning maakte hij deel uit van de leiding van de orthodoxe kerk. Dat werd een probleem, een rooms-katholiek in de leiding van de orthodoxe kerk. Hij had zich nooit bekeerd tot de orthodoxe kerk en zijn echtgenote was protestant. Otto brak met de leiding.

Tenslotte was het koningspaar kinderloos. Dat viel ook niet goed bij de bevolking.

 

1839-1843

Otto werd in het nauw gedreven door de publieke opinie.

Inmiddels waren wel de meeste Beierse vrienden van de koning in het leger vervangen door Grieken, op de minister van oorlog na, maar de Beierse invloed bleef erg groot. Vooral de Griekse veteranen die hun leven hadden geriskeerd in de Onafhankelijkheidsstrijd, wilden wel erkenning in de vorm van belangrijke posities. Ongenoegen van alle kanten dus.

In 1843 greep het leger in (zonder bloedvergieten) en dwong de koning akkoord te gaan met een pakket eisen, waarvan een parlementaire democratie het belangrijkste onderdeel was. Zonder morren ging Otto akkoord. Eén van de onderdelen was een verandering in de constitutie waardoor de troonopvolger orthodox moest zijn.

 

1850-1861

Rond 1850 was er een nieuwe generatie politici gekomen die zelf niet had meegevochten tegen de Ottomanen en het bovendien zeer vreemd vond dat de meeste oudere politici zich vooral bezighielden met eigen belang en het vergeven van banen en posities aan familieleden.

Op dat moment nam de invloed van de beschermende landen (Engeland, Frankrijk en Rusland) af en Otto beleefde een korte periode van populariteit toen hij tijdens de zoveelste oorlog tussen Rusland en Turkije opnieuw over het Megali Idea begon. Helaas voor hem resulteerde dat voor hem in het wakker schudden van Engeland en Frankrijk, die daar helemaal niets in zagen. Het innemen van Thessalië, Epirus en Macedonië druiste in tegen de belangen van onder andere Italië en Oostenrijk. En aldus werd Griekenland teruggeduwd in een zeer onzelfstandige positie. De haven van Piraeus werd door Engeland en Frankrijk gedurende drie jaar geblokkeerd.

In 1861 was heel Griekenland uitgekeken op de kinderloze Otto en werd hij door het leger afgezet. De Engelsen adviseerden hem zich niet te verzetten. Zij brachten hem terug naar Beieren.

De rest van het koningshuis komt aan de orde in het hoofdstuk 'Nauplion'. Hieronder ga ik verder in op de ontwikkelingen met betrekking tot de politieke situatie en daar waar het van belang is zal het koningshuis genoemd en toegelicht worden.

 

1862

Politieke groeperingen en partijen waren in Griekenland tot dan toe steeds gebaseerd geweest op personen en niet of nauwelijks op idealen. Daarom kwam er geen einde aan het cliëntelisme; kiezers waren namelijk de klanten van parlementsleden en klanten moesten bediend worden. Een niet onbelangrijke bijkomstigheid in deze periode was een stagnerende economie terwijl de overheid de grootste werkgever was. In vergelijking met andere landen was dat laatste zelfs buitenproportioneel. Niet alleen het aantal ambtenaren was veel hoger dan in de rest van Europa, ook het aantal parlementsleden. Verkiezingen resulteerden niet alleen in een andere regering, maar steeds daaraan gekoppeld een verandering van het grootste deel van het ambtenarenapparaat. Stabiliteit was ver te zoeken halverwege de 19e eeuw.

Cliëntelisme kwam in alle lagen van de samenleving voor en maakte al sinds mensenheugenis deel uit van het leven in Griekenland. Menig politicus hield dossiers bij waarin hij noteerde wie hij wat had beloofd, zodat hij na verkiezing kon overgaan tot de juiste inlossing. Deze begunstiging had zich al eeuwen eerder ontwikkeld als een mechanisme ter bescherming tegen de wreedheden van de Ottomanen. De Griekse, door de sultan gesteunde, elite bood her en der bescherming aan de rest van de bevolking, maar daar moest wel een wederdienst tegenover staan. Eigenlijk was er wat dat betreft weinig veranderd in vergelijking met de Ottomaanse periode. Het oude systeem van bescherming en belangenbehartiging was onder de parlementaire democratie net zo goed mogelijk.

 

1864

De Ionische eilanden worden aan Griekenland toegewezen. De meeste eilanden van deze groep waren nooit door de Ottomanen bezet geweest en stonden veel en vaak onder invloed van de Italianen (vooral Venetianen). Na de val van Napoleon in 1815 vond op initiatief van de grote mogendheden het congres van Wenen plaats, dat staatkundige herordening van Europa als doel had en als gevolg daarvan waren de Ionische eilanden Brits protectoraat geweest, maar na de Onafhankelijkheidsoorlog en de stichting van de Griekse staat wilde de bevolking van de Ionische eilanden ook graag aansluiting bij Griekenland. De Britten hebben dat in eerste instantie tegengehouden omdat de eilandengroep een strategische waarde had (als marinebasis). Uiteindelijk hebben de Britten afstand gedaan als blijk van goede wil, toen George I, de uitgezette koning Otto opvolgde.

 

1875

Na 1875 wisselden twee partijen steeds van macht bij de vele verkiezingen. Deligiannis was leider van de traditionele Nationalistische Partij. Trikoupis was leider van de Nieuwe Partij en stond voor een meer westerse traditie en probeerde een eind te maken aan het cliëntelisme, corruptie en vriendjespolitiek. Trikoupis ging op zoek naar steun in het westen om de Griekse economie en kredietwaardigheid te bevorderen. Onder zijn leiding werden spoorwegen aangelegd, het Kanaal van Corinthe gegraven en de marine en het leger gemoderniseerd. Daar was echter wel geld voor nodig en de daaraan verbonden belastingverhoging was koren op de molen voor de populistische welbespraakte Deligiannis.

Deligiannis op zijn beurt, wilde het Megali Idea weer doen herleven als hij aan de macht was, wat resulteerde in riskant en oorlogszuchtig beleid en een aanslag op de toch al zwakke economie. Zijn strijdlust zou 22 jaar later eindigen in een enorme nederlaag in een 30 dagen durende oorlog van Griekenland met het Ottomaanse rijk (in 1897).

 

1878

Rusland won in 1878 opnieuw een oorlog met Turkije en er werd in Berlijn gesproken over een nieuwe verdeling van delen van het overgebleven Ottomaanse rijk. Een nieuw groot Bulgarije was de bedoeling van Rusland. Griekenland wilde aanspraak maken op delen van Macedonië, Thracië en Thessalië, maar het mocht alleen naar de bespreking in Berlijn komen om het Grieks standpunt kenbaar te maken. Dat resulteerde in de beslissing van de grote mogendheden om alleen Thessalië aan Griekenland toe te kennen.

 

1893

In de (meerdere) keren dat hij minister president was lukte het Trikoupis niet om de corruptie uit te bannen. Daarnaast eisten de grote infrastructurele werken hun tol en drukten zwaar op de Griekse economie. In 1893 kon het land de schulden niet meer betalen en ging het failliet. Griekenland werd daarop verplicht een Internationaal Financieel Controle-orgaan te accepteren, dat zou toezien op de betaling van schulden.

 

1895-1898

In 1895 liet Kreta van zich horen in hun revolte tegen de Ottomaanse overheersing. Het resulteerde in de onafhankelijke staat Kreta in 1898. De strijd van de Kretenzers was natuurlijk koren op de molen van de nationalist Deligiannis, en in zijn opdracht trok het Griekse leger in 1897 opnieuw met de Megali Idea in gedachten ten strijde in een oorlog die slechts 30 dagen zou duren. Griekenland delfde het onderspit. Na de nederlaag bleef Kreta zijn onafhankelijke status behouden en werd Griekenland gedwongen tot marginale grensaanpassingen in het voordeel van het Ottomaanse rijk en tot betaling van een schadeloosstelling. En dat terwijl Griekenland al in 1893 failliet verklaard was. Geen wonder dat bij een steeds verder stagnerende economie veel Grieken hun heil in de Nieuwe Wereld zochten.

Want hoe de macht van het Ottomaanse rijk ook terugliep, Griekenland had het steeds net iets slechter en bleek niet in staat te winnen in welk treffen met de Ottomanen dan ook.

Na de dood van Trikoupis in 1896 verviel men opnieuw in de oude traditie van cliëntelisme, gesjoemel en vriendjespolitiek. In die situatie is het opmerkelijk dat men in Griekenland na de nederlaag tegen de Ottomanen en het faillissement van de staat, zichzelf evenwel ging zien als redder van de westerse beschaving in het oosten van het Middellandse Zeegebied. Dit zou voor een belangrijk deel komen door een opmerkelijk en charismatisch politicus, Eleftherios Venizelos.

 

Hij deed zijn eerste politieke ervaring op als minister in het dan zelfstandige Kreta. De Kretenzers hadden al vanaf 1846 geprobeerd aan te sluiten bij Griekenland. Dat werd echter steeds voorkomen door de Ottomanen en bij het laatste treffen kreeg Kreta hulp van de Britten, Fransen en Russen, dat resulteerde in een onafhankelijke staat met de zoon van de toenmalige Griekse koning George I (zie 'het Griekse Koningshuis') prins George van Griekenland en Denemarken, aan het hoofd als hoogcommissaris. De prins werd in 1906 vervangen door Alexandros Zaïmis (1855-1935) die in Griekenland in de periode 1897-1928 zes keer (gematigd conservatief) minister-president van Griekenland was. Tijdens een afwezigheid van de hoogcommissaris in 1908, verklaarden de Kretenzische afgevaardigden Kreta onderdeel van Griekenland. Internationale erkenning van dit feit zou in 1913 gebeuren.

 

1909-1910

In 1909 deed een garnizoen van het leger in Athene van zich spreken met een memorandum waarin werd geëist dat alle leden en vrienden van de koninklijke familie hun posities in het leger en bij de marine zouden opgeven. Bovendien zou er een grote reorganisatie van eenheden moeten plaatsvinden om te kunnen breken met de oude tradities van de elite. Het garnizoen kreeg daarop de steun van de bevolking en er werden grote demonstraties gehouden. In de ogen van het garnizoen was Venizelos vrij van smet en steunde hem, waardoor hij bij de verkiezingen van 1910 met zijn Liberale Partij 300 van de 362 zetels kreeg en daarmee een mandaat om zijn programma van binnenlandse hervormingen te starten, inclusief een economische en politieke modernisering. Er werden al snel zo'n vijftig grondwetswijzigingen aangenomen en uitgevoerd. Een belangrijke wijziging was dat men voortaan examen moest doen om ambtenaar te kunnen worden, maar daarnaast werd er een minimumloon ingevoerd, werden vakbonden toegestaan en er werd een progressieve inkomstenbelasting ingevoerd. Dat laatste was met name een enorme verbetering voor de armen en droeg bij aan het neutraliseren van het elders in de Balkan opkomende socialisme.

Zijn revisie van het leger en de marine werd gesymboliseerd door het feit dat Venizelos zelf minister van Oorlog werd, maar daarnaast kwam Griekenland los van de Beierse invloed omdat Engeland en Frankrijk hun steun gaven met het verzorgen van opleidingen voor de militairen.

 

1912

Venizelos bleef razend populair en bij de verkiezingen van 1912 werd hij opnieuw met overweldigende meerderheid herkozen. In datzelfde jaar voegde Griekenland zich bij Servië, Bulgarije en Montenegro in een nieuwe strijd tegen het Ottomaanse rijk. De Ottomanen waren in de minderheid en de Grieken slaagden er in om – vlak voor de Bulgaren – Thessaloniki in te nemen. Ook Ioannina in Epirus werd ingenomen en Griekenland sloot met Servië, ten koste van Bulgarije een verdrag over de verdeling van een deel van Macedonië.

Met de toevoeging van Thessaloniki aan het koninkrijk kreeg men te maken met een nieuwe bevolkingsgroep, de Spaans sprekende Sefardische Joden, die zelf de Grieken eerder als concurrenten zagen dan als bevrijders. De integratie van de nieuwe bevolkingsgroepen (ook Vlachs en Slaven) verliep stroef mede door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

 

1914 De Eerste Wereldoorlog

Het Megali Idea was niet langer de enige ideologie die zou kunnen zorgen voor de eenwording van de natie. Een ander idee was dat van een klein maar fijn super-Grieks koninkrijk.

Er ontstond een dispuut tussen Venizelos en de nieuwe koning (Constantijn) over deelname aan de oorlog. Venizelos had een sterke band opgebouwd met Engeland, Frankrijk en Rusland, maar de koning had zijn opleiding gekregen in het Duitse leger en was bovendien getrouwd met een zuster van de Duitse keizer. De koning begreep dat Engeland een suprematie op zee was en nam daarom het standpunt in neutraal te blijven. Venizelos bood toch zijn troepen aan Engeland aan, maar Engeland sloeg dat af omdat het zowel de Balkan als het Ottomaanse rijk buiten de oorlog wilde houden. Nadat het Ottomaanse rijk de zijde van Duitsland, Oostenrijk en Hongarije had gekozen, werd Bulgarije voor Engeland van strategisch belang. Zo stelden de Engelsen aan Griekenland voor om Drama, Kavalla en Serres aan Bulgarije af te staan in ruil voor delen van Noord-Epirus en de toezegging dat Griekenland delen van de westkust in Klein-Azië zou krijgen als het Ottomaanse rijk zou verliezen. Venizelos was voor, maar de koning wilde meer toezeggingen. De zaak werd extra gecompliceerd toe bleek dat Constantinopel aan Rusland was beloofd.

 

1915-1916 Nationale Schisma

De koning weigerde verder om met enige regeling in te stemmen, omdat hij bang was dat vooral Bulgarije winst zou behalen aan deelname van Griekenland aan de oorlog. Zo begon een proces dat eindigde in het ontslag van Venizelos in 1915 en het in 1916 ontstaan van twee rivaliserende regeringen. De koning wees Zaïmis aan als opvolger van Venizelos. Er ontstond een niet te overbruggen kloof tussen de koning en de charismatische voormalige eerste minister. Venizelos beschuldigde de koning ervan dat hij zijn constitutionele boekje te buiten was gegaan en de koning beschuldigde Venizelos ervan op onverantwoorde wijze het Megali Idea na te jagen. We spreken in de Griekse geschiedenis van het Nationale Schisma.

Venizelos werd verder door de koning bovendien geassocieerd met de kapitalistische modernisering en de sociale veranderingen, waarbij Engeland eigenlijk medeverantwoordelijk was voor het schisma door Thessaloniki aan Griekenland aan te bieden in een tijd dat het land neutraal was. In Thessaloniki vormde Venizelos zijn schaduwregering van revolutionairen en verklaarde de oorlog aan de Duitsland, Hongarije, Bulgarije en het Ottomaanse rijk.

 

1917

Door de ontwikkelingen in de oorlog werd Constantijn in 1917 gedwongen het land te verlaten; zonder afstand te doen van de troon vertrok hij en werd opgevolgd door zijn tweede zoon Alexander. Opnieuw werd Venizelos eerste minister van een zeer verdeeld Griekenland, want degenen die de koning hadden gesteund werden afgedaan als Germanofielen en verloren hun baan als rechter, ambtenaar of onderwijzer. Het leger werd opnieuw gezuiverd van royalisten.

 

1918-1919

Bij de vredesbesprekingen in Parijs claimde Venizelos Smyrna en het achterland, Thracië en zeggenschap over Constantinopel. Nog tijdens de besprekingen nam Italië Antalya in en Italiaanse troepen trokken verder op naar het noorden, richting Smyrna. Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten werden daardoor wakker geschud en Griekenland kreeg toestemming om Smyrna in te nemen, onder het mom om de Grieken te beschermen. Dat was 1919. Ook verkreeg Griekenland oost en west Thracië, de Dodekanesos (behalve Rhodos) en de eilanden Imbros en Tenedos in de Egeïsche Zee. Na de besprekingen in Parijs keerde Venizelos terug naar Griekenland en werd als een held onthaald, maar zijn populariteit zou snel afnemen.

De Grieken en Turken in Smyrna zouden hetzelfde worden behandeld, maar de inname van Smyrna werkte als katalysator voor het Turks nationalisme onder aanvoering van Mustafa Kemal (Atatürk).

 

1920

In 1920 werd daarna nog een verdrag gesloten tussen Turkije en Griekenland waarbij Smyrna een Griekse regio zou blijven en na vijf jaar zou er een referendum worden gehouden. Het verdrag werd met veel enthousiasme in Griekenland ontvangen, maar helaas werd het door de Turken nooit geratificeerd.

In 1920 overleed koning Alexander (aan de beet van een aap) en bij verkiezingen leed Venizelos een enorme nederlaag. De Grieken waren de oorlogsjaren zat en de royalisten hadden vrede en voorspoed beloofd. Vele jongemannen hadden hun leven gegeven in oorlogen en het land lag er braak bij omdat er vrijwel niemand meer was om het te kunnen bewerken. De eerder verbannen koning Constantijn werd teruggehaald. Na de verkiezingsoverwinning door de royalisten werd wraak genomen op hun politieke opponenten. Venizelos trok zich terug in Parijs.

 

1921-1922

Toen de royalisten aan de macht kwamen werd duidelijk dat ze wel door wilden gaan met hun acties in Klein-Azië. Ze hadden echter de ervaren (pro-Venizelos) officieren uit het leger ontslagen en onderschatten de sterkte van het Turkse leger. Zo verloor Griekenland Smyrna in een enorme nederlaag aan de troepen van Atatürk in september 1922. Ongeveer 30.000 Grieken en Armeniërs konden niet op tijd vluchten en vonden de dood. Slechts de Turkse en de Joodse wijken gingen niet in vlammen op. De oude bondgenoten hadden Griekenland in de steek gelaten, terwijl ze eerst toestemming hadden gegeven om Smyrna in te nemen. Griekenland voelde zich verraden, maar landen als Frankrijk en Italië excuseerden zich met het voorwendsel vrede te willen sluiten met Atatürk en de andere grootmachten waren neutraal gebleven.

Met de nederlaag tegen de Turken werd ook het Megali Idea in een klap van tafel geveegd. Het was het einde van de missie om westerse beschaving te brengen in Klein-Azië. De koning werd afgezet door het leger dat boos was omdat het de strijd tegen de Turken had verloren. De koning werd opgevolgd door zijn zoon, George II, maar de macht kwam feitelijk in handen van de militairen.

 

1923

Venizelos leidde vanuit Parijs de Griekse delegatie bij de besprekingen in Lausanne tussen Turkije en Griekenland. Er werd een uitwisseling van bevolkingsgroepen overeengekomen op initiatief van Venizelos. De bewoners van Thracië en van Istanboel bleven buiten de regeling. Oost Thracië dat net een paar jaar Grieks was, werd weer Turks, net als de eilanden Imbros en Tenedos in de Egeïsche Zee. De basis van de uitwisseling was religie (en niet taal of nationale identiteit).

 

Die uitwisseling werd een probleem omdat menig moslim in Griekenland alleen Grieks sprak, en orthodoxe bewoners van Turkije alleen Turks.

Ondanks de verwachting dat de uitwisseling zou leiden tot enorme problemen zag men geen andere uitweg. Ongeveer 1,1 miljoen orthodoxe inwoners van Turkije verhuisden naar Griekenland en 500.000 Turken verlieten Griekenland. Bovenop die uitwisseling kwamen nog eens 100.000 Grieken die uit Bulgarije en Rusland waren gevlucht. Van een warm onthaal was echter geen sprake. De taalproblemen zorgden ervoor dat men van de nieuwkomers zei dat ze gedoopt waren in Turkse yoghurt. Aan de andere kant keken de ontwikkelde en relatief rijke ex-inwoners van Smyrna neer op de simpele boerenbevolking van hun nieuwe koninkrijk. De integratie verliep dus niet zonder problemen. Sommige vluchtelingen brachten wel wat kapitaal mee, zodat de economie weer wat op gang kon komen en met de komst van kunstenaars als Seferis, Theotokis en Kontoglou kreeg ook het culturele leven een nieuwe impuls.

 

1924

Van de meestal in armoede levende nieuwkomers voelde een klein deel zich aangetrokken tot de communistische idealen van de Communistische Partij van Griekenland (KKE), maar het merendeel bleef trouw aan Venizelos in wie men de charismatische bevrijder bleef zien. Zijn mislukking zou te wijten zijn aan het uitblijven van buitenlandse hulp. Men koos daardoor in 1924 massaal voor afschaffing van de monarchie en de held uit de Balkan-oorlog, admiraal Koundouriotis werd president. De koning verhuisde naar Engeland.

Het zou vervolgens drie jaar duren voordat er een parlementaire democratie tot stand kwam en ondertussen werd het land feitelijk geregeerd door het leger onder aanvoering van generaal Pangalis. Toen hij echter dreigde met een nieuwe oorlog tegen Turkije en daadwerkelijk Bulgarije aanviel werd hij door zijn collega's afgezet en verbannen.

 

1928-1932

De verkiezingen van 1928 werden opnieuw door Venizelos gewonnen en hij had een (proportioneel) kiesstelsel geïntroduceerd waardoor hij met 47% van de stemmen 71% van het aantal zetels bemachtigde. In zijn eerdere jaren werd hij steeds gesteund door zowel de arbeidersklasse als de ondernemers, maar die steun nam af naarmate hij ouder en conservatiever werd. Hij richtte zich in de periode tussen de wereldoorlogen meer en meer op de relaties met de buurlanden. Zijn belangrijkste actie was dan ook de verzoening met Turkije, al kostte dat Griekenland de nodige concessies. Hij bracht zelfs officieel bezoek aan Turkije en droeg Atatürk voor voor de Nobelprijs voor de vrede.

In 1928 sloot hij tevens een handelsverdrag met het koninkrijk Joegoslavië en met Benito Mussolini in Italië. In economisch opzicht ging het bergafwaarts met Griekenland. De export van tabak, olijfolie en krenten stagneerde. Venizelos was genoodzaakt vertragingsrente te betalen op buitenlandse leningen. In Griekenland zelf werd hij minder en minder populair.

Het was 1932 en crisis.

 

1932-1933

Bij de verkiezingen in dat jaar won Venizelos' Liberale Partij nog maar net van de steeds populairder wordende Volkspartij van Panagis Tsaldaris (1868-1936) en een jaar later delfde hij het onderspit. Dit frustreerde de legerleiding zo erg, dat kolonel Nikolaos Plastiras (1883-1953) een poging tot staatsgreep deed in 1933. Die mislukte en Plastiras werd gedwongen naar het buitenland te verhuizen. Deze couppoging bracht een einde aan een periode van relatieve rust en stabiliteit en opnieuw werd het Nationale Schisma in de samenleving zichtbaar.

Venizelos ontsnapte ternauwernood aan een moordaanslag en beschuldigde zijn politieke opponenten ervan hem uit de weg te willen ruimen.

 

1935

Op zijn beurt was Venizelos in 1935 betrokken bij een nieuwe couppoging van het leger. Ook deze poging mislukte en Venizelos voegde zich bij zijn vriend Plastiras in Frankrijk. Zijn aanhangers werden opnieuw uit hun publieke functies gezet en voor de zoveelste keer werd de legerleiding gezuiverd.

In 1935 behaalde de Volkspartij 65% van de stemmen en door het door Venizelos zelf bedachte en ingevoerde kiesstelsel leverde dat 96% van de zetels op, met als gevolg dat de republiek onmiddellijk weer werd omgezet in een monarchie en George II werd teruggevraagd als koning.

De leider van de Volkspartij, Tsaldaris werd door een politieke kwestie gedwongen af te treden. De royalisten wilden sowieso de koning terughalen zonder al te veel formaliteiten, maar Tsaldaris wilde daarvoor eerst een volksraadpleging. Hij werd afgezet door generaal Georgios Kondylis (1878-1936) die zichzelf tot regent benoemde, een referendum hield en de koning terughaalde.

 

1936-1939

Niet lang daarna benoemde de koning generaal Metaxas tot minister van oorlog. Metaxas, leider van de ultra-rechtse Vrijdenkerspartij had weinig op met parlementaire democratie en toonde zijn minachting voor de koning door een sterke regering te benoemen. En zo werd Metaxas de niet-gekozen leider van Griekenland die zijn voorkeur voor een fascistisch dictatorschap niet onder stoelen of banken stak. Alhoewel hij zich niet ontpopte als Hitler of Mussolini, had hij het wel over zijn Derde Hellenistische Beschaving, als tegenhanger van Hitlers Derde rijk, waarin discipline het sleutelwoord was, teruggrijpend op de tradities der Spartanen. Vooral de nationale jeugdbeweging werd ingezet om zijn idealen te promoten en vooral om zijn afkeer van uiterst links te tonen. Metaxas had een erg efficiënt werkende minister van orde en veiligheid, Maniadakis, die korte metten maakte met alles en iedereen die ook maar neigde naar een vorm van oppositie. Hij bleek in staat te zijn te infiltreren in de communistische partij en creëerde enorme angst onder de bevolking door het opzetten van een efficiënt en meedogenloos politienetwerk.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hoopte Metaxas neutraal te kunnen blijven, maar Mussolini wilde Hitler laten zien dat hij ook tot een Blitzkrieg in staat was en koos daarvoor Griekenland uit.

 

 

De Tweede Wereldoorlog, de Burgeroorlog en de erfenis

 

1940

Op 28 oktober 1940 vroegen de Italianen de overgave aan Metaxas. Toen Metaxas dat weigerde probeerden de Italianen de grens van Albanië met Griekenland over te steken. Het door Metaxas aangewakkerde nationalisme zorgde ervoor dat de Italiaanse troepen binnen enkele dagen teruggedreven werden ver Albanië in, dat op dat moment een Italiaans protectoraat was. Bovendien veroverden de Grieken tegelijkertijd enkele delen van Noord-Epirus dat eigenlijk aan Albanië toebehoorde, maar al langer door de Grieken geclaimd werd. De Engelsen steunden de Grieken met enkele vliegtuigen, maar Metaxas wilde geen Engelse troepen op Grieks grondgebied om Hitler niet voor het hoofd te stoten.

De dag dat Metaxas 'Nee' tegen Mussolini zei, wordt heden ten dage nog steeds gevierd als nationale feestdag met een parade van schoolkinderen.

 

1941

Metaxas overleed in januari 1941 en zijn opvolger Alexandros Koryzis7 nodigde onmiddellijk de Engelsen uit, met als gevolg dat de Duitsers Griekenland aanvielen vanuit Joegoslavië en Bulgarije in april 1941. Hitler wilde op zijn beurt namelijk voorkomen dat de Balkan te maken zou krijgen met een Russische invasie. Diezelfde maand wapperden de swastika's op de Akropolis van Athene. Een kleine groep Engelse special forces hielp koning George II te vluchten met de regering naar Kreta in eerste instantie en later naar Caïro. In Griekenland werd een pro-Duitse regering aangesteld onder leiding van generaal Georgios Tsolakoglou, die eerder de Italiaanse invasie had voorkomen.

Vanaf juni 1941 werd Griekenland bezet door Duitse troepen (Athene, Thessalië, eilanden in de Egeïsche Zee en West-Kreta), de Bulgaren (het noordoosten) en de Italianen (merendeel van het vasteland en de Peloponnesos). Griekenland werd gedwongen om de Duitsers te betalen voor de bezetting en omdat men daar niet aan kon voldoen werd beslag gelegd op alle gebruiksgoederen en grote hoeveelheden levensmiddelen en voedsel. Hierdoor kwamen in de winter van 1941-42 zo'n 100.000 mensen om van de honger.

 

De communistische KKE zag de oorlog als een strijd van de imperialisten en richtte in 1941 samen met socialisten, anti-fascisten en linkse republikeinen een goedwerkende verzetsbeweging op de nationale Bevrijdingsbeweging (EAM) met een gewapende tak, het Nationale Volksbevrijdingsleger (ELAS). De communisten hadden eerder ervaring opgedaan met ondergronds verzet (tussen de twee wereldoorlogen) en kregen snel veel aanhangers door een betere toekomst te beloven, gebaseerd op gelijkheid. Hierdoor trok de beweging veel jongeren en relatief veel vrouwen aan. De leiding van zowel de EAM als van ELAS was in handen van de partijtop, maar de meeste deelnemers aan het verzet waren geen lid van de KKE. Het was hen veel meer te doen om de bevrijding van een door nazi's bezet Griekenland.

EDES was een andere verzetsgroep (Nationale Republikeinse Griekse Eenheid) met een sterke antimonarchistische houding. Zij gaven zowel koning George II als Metaxas de schuld van alle ellende. De koning op zijn beurt, had weinig goede woorden over voor het verzet, met de mogelijke represailles van de nazi's als excuus.

 

1942-1943

Het gewapende verzet, communistisch of niet, opereerden veelal vanuit de bergen. In 1942 wisten zij de spoorbrug op de lijn Athene-Salonica op te blazen. Het was een gezamenlijk actie van ELAS en EDES met opnieuw Engelse special forces.

Net als elders hadden de nazi's het gemunt op joden. Begin 1943 werden 50.000 Sefardische joden uit Thessaloniki op de trein naar Auschwitz gezet. Dat was een vijfde deel van de gehele bevolking van die stad. Slechts enkelen overleefden het concentratiekamp.

Het door de Italianen bezette deel van Griekenland werd na de capitulatie van Italië in 1943 overgenomen door de nazi's. Terwijl de Italianen zich probeerden terug te trekken werden zij regelmatig aangevallen door Duitse gevechtseenheden.

 

In tegenstelling tot de beide verzetsbewegingen wilden de Engelsen na een eventuele bevrijding George II weer op de troon van Griekenland hebben. Hoewel de EDES en ELAS niet al te best met elkaar overweg konden, maakten zij gebruik van één en hetzelfde hoofdkwartier en in 1943 overlegden zij met de Engelsen, de koning en de regering in ballingschap. Het gezamenlijke verzet had maar twee eisen: ten eerste zou na de bevrijding het ministerie van binnenlandse zaken en dat van justitie bemand worden door leden van het verzet en ten tweede dat de koning pas kon terugkeren na een volksraadpleging. Beide eisen werden niet ingewilligd en het verzet trok opnieuw de bergen in. De relatie met Engeland was er niet beter op geworden omdat het idee bestond dat het met alle geweld George II weer op de troon wilde hebben en de oude hiërarchie doen herleven.

Ook de onderlinge verhoudingen werd slechter. Eind 1943 viel ELAS zelfs EDES aan. Hierop stopten de Engelsen de bevoorrading aan ELAS. Dat had echter weinig effect omdat het communistische verzet beslag wist te leggen op Italiaanse wapens en voorraden na hun overgave.

 

1944

De nazi's waren natuurlijk blij met de onderlinge strijd, maar de ruzie werd bijgelegd begin 1944.

Daarna werd door EAM, de politieke tak van ELAS, het Politiek Comité voor de Nationale Bevrijding opgericht en presenteerde daarbij een nieuwe regering – los van de regering in ballingschap. Dat was tegen het zere been van Churchill, want hij was bevreesd dat de Balkan onder uitsluitend Sovjet invloed zou vallen na de bevrijding. Hij wilde dat ten koste van alles voorkomen. Het Rode Leger stond echter klaar om de Balkan binnen te trekken. Dat bracht Churchill ertoe om in mei 1944 in een gehaast overleg Roemenië aan Stalin te geven onder de voorwaarde dat hij Griekenland met rust zou laten. En als zo vaak gebeurd was, werd opnieuw de Griekse geschiedenis bepaald door de grootmachten.

Georgios Papandreou (die al sinds 1923 deel had uitgemaakt van verschillende kabinetten) wist uit Griekenland te ontsnappen naar Caïro. Daar werd hij onmiddellijk als minister president in ballingschap aangesteld. Hij werd vooral door Engeland gesteund omdat hij lid was geweest van een anticommunistische verzetsgroep. Door hem bij de regering in ballingschap te betrekken hoopte de Britten dat de gemoederen binnen de beide verzetsbewegingen gesust zouden worden. Er werd gewerkt aan een kabinet van nationale eenheid en een bijeenkomst in Libanon werd bijgewoond door alle politieke partijen en verzetsgroepen. De communisten waren niet sterk vertegenwoordigd en kregen slechts vijf onbeduidende ministersposten toebedeeld. De communistische leiding die in Griekenland was achtergebleven was daar niet blij mee en eiste vijf sleutelposities en het aftreden van Papandreou. Later ging men als nog akkoord, vermoedelijk omdat de EAM door Stalin op de hoogte waren gebracht van de deal met Churchill.

 

In oktober 1944 trok trok Duitsland zich terug uit Griekenland en de regering kwam onmiddellijk uit ballingschap terug naar Athene, waar Papandreou met enig trots zijn kabinet van nationale eenheid presenteerde, waar ook de communisten deel uit maakten. De problemen waarvoor hij kwam te staan waren echter groot.

Toen de euforie van de bevrijding voorbij was, bleek dat de praktische problemen (herstel van bijvoorbeeld de infrastructuur) overschaduwd werden door politieke. Een voorbeeld van de politieke problemen was dat Papandreou niet direct gehoor gaf aan de eis van de communisten om collaborateurs te straffen. Een ander maar zeker daarmee samenhangend probleem was dat men niet in staat was om de guerrilla's ertoe te bewegen hun wapens in te leveren. Zij bleven voor Papandreou, die zijn beloftes niet nakwam, een bedreiging. Drie maanden na het begin legden de communistische kabinetsleden hun functie neer. Bij de daaraan voorafgaande demonstratie tegen Papandreou raakte de Atheense politie in paniek en er vielen 15 doden aan de kant van de demonstranten. Dat was de aanleiding voor ELAS om her en der in het land politiebureaus aan te vallen. Binnen enkele dagen waren er vrijwel continue gevechten tussen ELAS eenheden en Engelse troepen en politie in Athene. Churchill bracht een bezoek aan Athene maar hij kon de gemoederen niet bedaren, ook al wist hij George II te overtuigen om afstand te doen van de troon en werd Papandreou vervangen door generaal Plastiras.

 

De Engelse troepen brachten wel na enkele weken de rust terug in Athene en ELAS stemde in met demobilisatie onder voorwaarde van algehele amnestie voor hun politieke acties. Dat wekte echter de wrevel van uiterst rechts, waarvan de collaborateurs tot dan toe steeds buiten schot waren gebleven.

 

Mehmet II belegert Constantinopel, 1453,

door Bertrandon de la Broquière, Lille, 1455,

Nationale Bibliotheek, Parijs

Rhegas Velestinles,

geschilderd door Andreas Kriezis (1816–1880)

Benaki Museum, Athene

foto © willem van leeuwen

De bisschop van Patras, Germanos III zegent de Griekse vlag

door Theodoros Vryzakis, 1865

Benaki museum, Athene

foto © willem van leeuwen

Lord Byron in Grieks uniform op de Akropolis

(anoniem)

Benaki museum, Athene

foto © willem van leeuwen

De moord op Kapodistrias

Dionysios Tsokos (1850)

Benaki museum, Athene

foto © willem van leeuwen

 

Amalia van Oldenburg

door Joseph Karl Stieler (1781-1858)

Benaki museum Athene

koning Otto 1

door Joseph Karl Stieler (1781-1858)

Benaki museum Athene

foto © willem van leeuwen

Charilaos Trikoupis (1832-1896),

Theodoros Deligiannis (1820-1905)

Eleftherios Venizelos, (1864-1936)

geschilderd door A. Kanaidan (1867-1933)

Benaki museum Athene

foto © willem van leeuwen

schilder Photis Kontoglou

uit Ayvalik (noordwest Turkije)

1895-1965

dichter Georgios Theotokas

geboren in Constantinopel

1906-1966

dichter Georgios Seferis

uit de buurt van Smyrna

1900-1971

Ioannis Metaxas (1871-1941)

links: generaal Georgios Tsolakoglou (1886-1948)

rechts: Konstantinos Maniadakis (1893-1972)

De nazivlag wordt gehesen op de Akropolis

(april 1941)

links: Winston Churchill (1874-1965)

rechts: Joseph Stalin (1878-1953)

Georgios Papandreou (Sr.)

(1888-1968)

links: Nikolaos Plastiras (1883-1953)

rechts: Themistoklis Sofoulis (1860-1949)

ouzo on the rocks

apartment, excursions and art historical guide

Peloponnese, Greece

Copyright © All Rights Reserved