Griekse Geschiedenis na 1453 deel 2

ouzo on the rocks

apartment, excursions and art historical guide

Peloponnese, Greece

Griekse Geschiedenis

deel 2

van 1945 tot en met 2012

1945-1946

Opnieuw onder druk van Engeland werd eind 1945 een nieuwe regering geïnstalleerd, geleid door Sofoulis, een politiek erfgenaam van Venizelos.

De verkiezingen in 1946 werden geboycot door de communisten (omdat de collaborateurs nog steeds niet gestraft waren) en het politieke midden was zeer verdeeld, waardoor een ultra-rechtse coalitie aan de macht kwam. Dat leidde ook tot de terugkeer van de monarchie, vermoedelijk omdat de meeste stemmers bij een referendum dachten: 'Liever een monarchie, dan het communisme.'

De rechtse regering bestempelde ELAS als een terroristische organisatie die gesteund zou worden door Bulgarije en Joegoslavië.

 

1947-1949

In 1947 probeerde president Truman van de Verenigde Staten rust te brengen door de invloed van Engeland te beperken en Griekenland te helpen met financiële steun, als het land niet communistisch zou worden. De communistische guerrilla's boekten echter af en toe successen in hun gevechten met het reguliere Griekse leger, hoewel dat leger in belangrijke mate gesteund werd door de Verenigde Staten.

Uiteindelijk eindigde de krachtmeting in het nadeel van de communisten. Zij leden grote verliezen. Mannen en vrouwen namen deel aan de strijd en kinderen werden geëvacueerd naar Oostbloklanden voor hun bescherming volgens de communisten, om geïndoctrineerd te worden volgens hun tegenstanders. De internationale situatie veranderde in het nadeel van de Griekse communisten. Zo bleek Joegoslavië in 1948 niet langer in staat om het Griekse verzet te steunen. En niet lang daarna sloot men zelfs de grens voor guerrilla's die op de vlucht waren.

Stalin gaf te kennen dat Griekenland voor het communistische ideaal als verloren beschouwd moest worden en durfde de confrontatie met de Verenigde Staten niet aan te gaan.

Door de Amerikaanse steun werd het reguliere Griekse leger steeds sterker en efficiënter. Aan het eind van 1949 werden de laatste ELAS troepen gedwongen naar Albanië te vluchten. De leiding kondigde een einde van de acties aan.

 

1950

Nadat het in de burgeroorlog om de strijd was gegaan tussen communisten en anticommunisten herleefde opnieuw de strijd tussen Venizelosaanhangers (republikeinen) en -tegenstanders (monarchisten).

Op het moment dat andere landen onmiddellijk waren begonnen met de wederopbouw, was men in Griekenland nog ruim vier jaar bezig met een binnenlandse vijand en in economisch opzicht had Griekenland na het einde van de burgeroorlog dus een achterstand van ruim vier jaar. De Amerikaanse steun was niet gaan zitten in de economie maar in het leger en in veiligheidstroepen. De gewone Griek moest maar zien te overleven. Een voorwaarde voor de Amerikaanse financiële steun aan het leger was de invloed van de Verenigde Staten op Griekse politieke beslissingen.

De naweeën van de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende burgeroorlog zouden zeker 20 jaar merkbaar blijven. Griekenland was nauwelijks in de eerste jaren na de burgeroorlog een democratie te noemen, want men was, ook na de burgeroorlog, nog lang bezig om het communisme en linkse sympathieën te bestrijden. De restauratie van de samenleving was lange tijd daardoor niet in beeld.

Bij de verkiezingen van 1950 bleek de wraakzuchtige, rechtse Volkspartij de grootste te zijn, maar partijen uit het midden vormden een coalitie. Dat waren de liberalen onder aanvoering van Sophocles (de zoon van) Venizelos, de Progressieve Centrumpartij van generaal Plastiras en de partij van Papandreou.

De meeste kiezers hadden gekozen voor de rechtse Volkspartij, maar kregen een regering met verzoening in het vaandel. De coalitie hield het echter niet lang uit en bij de verkiezingen daarna werd de centrumrechtse Reünie Partij van maarschalk Alexandros Papagos de grootste.

 

1952

In Griekenland heeft men in de geschiedenis steeds te maken gehad met twee verschillende kiesstelsels, het evenredige en het proportionele. Bij het proportionele kiesstelsel krijgt 35% van de stemmen 35% van de zetels in het parlement, maar om de lange coalitie-onderhandelingen te voorkomen, kan bij een evenredig kiesstelsel 35% van de stemmen leiden tot een absolute meerderheid in het parlement.

De Verenigde Staten drong aan op een evenredig kiesstelsel in Griekenland want dat zou beter uitkomen voor hun conservatieve partner maarschalk Papagos. Daardoor kon hij in 1952 met 49% van de stemmen 82% van de parlementszetels behalen.

Tot 1963 waren de conservatieven vervolgens aan de macht.

Met de oude wetgeving was het enorm moeilijk om nieuwe politieke partijen op te richten. De politie en de veiligheidstroepen hielden 'subversieve' krachten nauwlettend in de gaten en schuwden daar dreigementen en fysiek geweld niet bij. De burgers die iets nodig hadden van de overheid, bijvoorbeeld en paspoort of rijbewijs, moesten daarvoor eerst een verklaring bij de politie vragen. Die verklaring kreeg men alleen als men niet te boek stond als 'bedreiging' voor de maatschappij.

Politieke verzoening stond dus niet hoog op de agenda van Papagos, maar hij probeerde wel de economie wat op te krikken, door zich niet alleen te richten op de landbouw, maar ook op de industrie.

 

1953 Huizenbouw

Ondanks de pogingen tot economische ontwikkeling moest Griekenland in 1953 de drachme devalueren. De strakke monetaire politiek en een vereenvoudiging van staatscontrole gaven het particuliere ondernemerschap echter een boost, waardoor de drachme ondanks de devaluatie in verhouding tot valuta van andere Zuid-Europese landen meer vertrouwd werd. De periode van het bouwen van betonblokken brak aan. Geen wonder dat eind jaren '50 'de grootste betonfabriek ter wereld bij Volos lag.

Tussen 1961 en 1980 werd niet minder dan 65% geïnvesteerd in huizenbouw. Dat was ook wel nodig omdat veel mensen van het plattegrond naar de steden trokken. Tussen 1961 en 1971 groeide het aantal inwoners van Athene met 37% en in de tien jaar daarna nog eens met 19%.

De in gang gezette industrialisatie bleef op een paar uitzonderingen na steeds beperkt tot kleine familiebedrijven, geconcentreerd op weinig technologie (voeding, drank, textiel en tabak). Ondanks de economische groei bleef Griekenland afhankelijk van de economische steun van de Verenigde Staten en van de steun van Grieken die in het buitenland als gastarbeiders aan het werk waren. Tussen 1951 en 1980 werkte 12% van de beroepsbevolking in het buitenland. Toen de gastarbeiders naar Griekenland terugkeerden, zetten zij ook weer kleinschalige bedrijfjes op.

Heel anders was het gesteld met de Griekse scheepsbouw en enkele decennia later ook met de toeristenindustrie.

 

1955-1956

Omdat Griekenland net ten zuiden van een aantal Oostbloklanden ligt (Albanië, Joegoslavië, en Bulgarije) kreeg het samen met Turkije het lidmaatschap van de NAVO en bleef het een bondgenoot van de Verenigde Staten. De band met Turkije stond wel onder druk. In 1955 werd de Griekse bevolkingsgroep in Istanboel door Turkije bedreigd en daar kwamen de problemen op Cyprus (met 80% Griekse bevolking) nog eens bij.

Toen Papagos in 1955 overleed werd Konstandinos Karamanlis aangesteld als opvolger; hij was al eerder een hardwerkende minister van publieke werken geweest en behoorde niet tot de Atheense politieke elite. Deze joviale Macedoniër zou een zeer dominantie factor worden in de Griekse politiek voor de volgende 35 jaar. Hij hervormde de conservatieve Reünie Partij tot de Nationale Radicale Unie en behaalde in 1956 (voor het eerst met vrouwenkiesrecht) een kleine meerderheid in het parlement, die hij twee jaar later wist te vergroten.

 

Het was een grote schok toen bleek dat de Unie van Verenigd Links, die zowel uit communisten als socialisten, als sociaaldemocraten bestond, ongeveer een kwart van de stemmen wist te behalen. Dat was een serieuze bedreiging voor behoudend Griekenland. De steun van de bevolking voor links was onder andere te danken aan hun kritische houding ten opzichte van de NAVO en Cyprus.

Cyprus was inmiddels een zelfstandige republiek geworden binnen het Britse Gemenebest. Grieken en Turken behielden er hun kleine militaire bases, maar Grieks-orthodoxe aartsbisschop Makarios, die zich ook met politiek bemoeide, vond de invloed van de Turken veel te groot. De Turkse bevolkingsgroep was slechts 18% van het totaal, maar zij hadden recht op 30% van de parlementszetels en 40% van de politie zou uit Turken moeten bestaan.

 

1960-1961

Karamanlis kwam onder vuur te liggen omdat hij de 'Hellenistische Zaak' (Cyprus) had verraden voor steun van de NAVO, maar zijn populariteit nam weer enigszins toe, toen hij in 1961 een overeenkomst sloot de met Europese Economische Gemeenschap, die zou kunnen leiden tot een volwaardig lidmaatschap in 1984. De verkregen handelsbetrekkingen en verlagingen van invoerrechten beloofde een iets betere positie voor de inefficiënte Griekse industrie.

Karamanlis' motieven waren echter niet alleen economisch, maar ook politiek; hij wilde namelijk dat Griekenland zich meer en meer op het westen zou richten.

Bij de verkiezingen van 1961 had hij vooral te duchten van Georgios Papandreou, die door uiterst links gesteund werd, maar het lukte Papandreou niet om Karamanlis te verslaan. Die nederlaag van Papandreou leidde tot beschuldigingen van verkiezingsfraude aan het adres van Karamanlis. Er zou niet alleen gerommeld zijn met uitslagen, maar leger, politie en veiligheidstroepen zouden ook de nodige druk uit op kiezers hebben uitgeoefend. De oppositie beschuldigde ook de NAVO die met geoorloofde en ongeoorloofde middelen het leger en de partij van Karamanlis in het zadel wilde houden. Dit zou jaren later door kolonel Georgios Papadopoulos (tijdens de junta) bevestigd worden.

 

1963

Het was evenwel duidelijk dat Papandreou populairder werd en Karamanlis juist uit de populariteit verdween. Zeker nadat in 1963 de leider van het antifascistische Verenigd Democratisch Links, Grigoris Lambrakis, bij een vreedzame demonstratie in Thessaloniki werd vermoord door aanhangers van ultrarechts, die banden hadden met politieofficieren.

In 1963 botste minister president Karamanlis met het koningshuis en vooral met de uit Duitsland afkomstige koningin Frederika. De aanleiding was de weigering van het koningspaar om hun staatsbezoek aan Engeland af te zeggen of uit te stellen. In Engeland was gewaarschuwd voor grote protestacties bij hun komst, omdat er in Griekenland nog steeds (links)politieke gevangenen waren. Karamanlis trad daarom af en bij de daarop volgende verkiezingen wist Georgios Papandreou een kleine meerderheid te behalen. Hij was daarom in het parlement afhankelijk van de politieke stroming die hij eigenlijk niet vertrouwde, uiterst links.

 

1964

Bij de volgende verkiezingen in 1964 won Papandreou met 54% van de stemmen en dat leverde hem een comfortabele meerderheid op in het parlement. Maar zijn hoop om de volledige termijn van vier jaar aan de macht te kunnen blijven, vervloog al na anderhalf jaar. Cyprus was de boosdoener.

Makarios III was inmiddels naast kerkelijk leider ook president van Cyprus geworden en wilde de Turkse invloed op het eiland beperken. Door de interventie van de Amerikaanse president Lyndon B. Johnson werd een Turkse militaire interventie voorkomen. Georgios Papandreou maakte zich bij de Amerikanen niet geliefd omdat hij een regeling voor Cyprus verwierp.

 

In het binnenland wist Papandreou in zijn anderhalf jaar durende regeerperiode echter wel een begin te maken met hervormingen en sommige politieke gevangenen kregen hun vrijheid terug. Het schoolsysteem werd aangepast en het ambtelijk, kerkelijk en wetenschappelijk Grieks (katharevousa) werd vervangen door het algemeen gesproken (dimotiki) Grieks.

Papandreou vertrouwde in zijn beleid enorm op de adviezen van zijn zoon Andreas, die in de Verenigde Staten economie had gestudeerd. Tegen de wil in van meerdere ministers, kreeg de zoon de post van minister van financiën in het kabinet van zijn vader.

Partijgenoot Konstandinos Mitsotakis zag hierdoor zijn kansen om de oude Papandreou op te kunnen volgen vervliegen. De rivaliteit binnen de partij die tussen hem en Andreas ontstond, zou meer dan 20 jaar stand houden, tot het moment dat Mitsotakis in 1984 leider werd van de Nea Dimokratia.

 

1965-1966

Andreas' financiële politiek leidde vooral tot inflatie en dat was men onder Karamanlis niet gewend geweest. Daarnaast begon een deel van de legerleiding zich te beschouwen als beschermers van nationale waarden, omdat de officieren dachten dat met Andreas Papandreou (in het kabinet van zijn vader) een communistisch Paard van Troje was binnengehaald. Andreas werd vervolgens het spookbeeld voor ultrarechts omdat zijn standpunt (hoewel nog mild) iets radicaler was dan dat van zijn vader. Vader Papandreou had het vervolgens moeilijk met het in toom houden van de legertop. Het uit de Tweede Wereldoorlog stammende verbond van Griekse officieren (IDEA) werd nieuw leven ingeblazen en openlijk gesteund door de minister van defensie. Toen Papandreou hem uit de partij zette, weigerde hij op te stappen als minister. Papandreou vervoegde zich daarop bij de nieuwe koning Constantijn II, en vroeg hem in te stemmen met zijn voorstel om zowel minister-president als minister van defensie te worden.

De onervaren jonge koning weigerde dat (tot verbazing van Papandreou), omdat de koning het niet zuiver vond. De zoon van Georgios, Andreas Papandreou, werd namelijk op dat moment verdacht van banden met de linkse tegenhanger van IDEA, Aspida. Vader Papandreou bood daarop aan de koning zijn ontslag aan in de verwachting dat hij daar niet mee zou instemmen, maar dat deed de koning wel. Gezegd moet worden dat het koningshuis sterke banden met de legerleiding had en van de gelegenheid gebruik maakte om de coalitie van Papandreou naar huis te sturen. Kenmerkend is dat de door de koning gewenste opvolger, maar verder tot dan toe onbekende Georgios Athanasiadis-Novas, letterlijk in een andere kamer van het paleis zat te wachten om beëdigd te worden, terwijl Papandreou zijn ontslag kwam indienen. De koning maakte maar al te graag van de mogelijkheid gebruik om van Papandreou af te komen en een behoorlijke slag toe te brengen aan diens partij.

Er volgden demonstraties en protesten voor Papandreou, en het lukte Athanasiadis-Novas niet de steun van de meerderheid van het parlement te krijgen en uiteindelijk werd de conservatieve Stephanopoulos waarnemend minister president op een nieuw voorstel van de koning. In de verkiezingsstrijd die volgde, ging het vooral om het opheffen van de parlementaire immuniteit van Andreas, zodat hij vervolgd kon worden vanwege vermeende banden met Aspida.

 

1967

Nog voor de verkiezingen pleegde een kleine groep officieren op 21 april 1967 een goed georganiseerde coup, omdat het vrijwel zeker was dat de partij van Papandreou met een grote meerderheid zou gaan winnen.

De koning accepteerde – zij het met tegenzin – een vage burgerregering die diende als façade voor kolonel Georgios Papadopoulos, kolonel Nikolaos Makarezos en brigadegeneraal Stylianos Pattakos.

Papadopoulos vocht in 1940 tegen de Italiaanse invasie, nam later deel aan de met de nazi's collaborerende veiligheidstroepen; studeerde na de oorlog in de V.S. en werkte enige tijd voor de CIA.

Maarschalk Alexandros Papagos

(1883-1955)

Konstandinos Karamanlis

(1907-1998)

Grigoris Lambrakis

(1912-1963)

Makarios III

Michail Christodoulou Mouskos

(1913-1977)

(de zoon van Georgios) Andreas Papandreou

(1919-1996)

brigadegeneraal Stylianos Pattakos

(1912 – )

kolonel Georgios Papadopoulos

(1919-1999)

kolonel Nikolaos Makarezos

(1919-2009)

1967-1974 De junta

Het excuus van de kolonels was, net als bij Metaxas, Griekenland behoeden voor het communisme, hoewel in realiteit van geen enkele dreiging sprake was. Gematigd links zou namelijk bij de verkiezingen wel aan de macht gekomen zijn (via democratische verkiezingen) maar uiterst links zou een kleine minderheid zijn gebleven.

Het grootste deel van de provinciale boerenbevolking was niet echt heel bedroefd met de komst van de junta, omdat er met hun komst eindelijk een einde kwam aan de macht van de Atheense politieke elite met zijn vele privileges. Bovendien werd de Griekse staat ook goed beschermd tegen het Oostblok.

Van die oude elite hoefde de junta dus geen steun te verwachten, zowel de linkse als rechtse politici van Griekenland walgden van de wraakzuchtige kolonels.

Een amateuristische tegencoup waarbij de koning betrokken was, mislukte in het najaar van 1967 en de koning vluchtte naar Rome. Linkse activisten belandden met of zonder proces in de gevangenis, werden verbannen naar afgelegen kleine eilandjes of kregen in het minste geval huisarrest. Onder druk van de Verenigde Staten verleende de junta Andreas Papandreou amnestie en hij vertrok onmiddellijk naar het buitenland. Zijn vader Georgios kreeg tot een half jaar voor zijn dood (in 1968) huisarrest. Zijn staatsbegrafenis werd een massale demonstratie tegen de junta waaraan 500.000 mensen deelnamen.

Maar de junta had de touwtjes strak in handen; Papadopoulos bleek de sterkste van de drie en benoemde zichzelf tot minister president. De belangrijke ministersposten gingen naar zijn directe collega's. Een aanslag op Papadopoulos mislukte.

Er waren wel verzetsbewegingen in Griekenland maar die waren niet georganiseerd. Zij die het aandurfden in verzet te komen tegen de kolonels kregen te maken met de brute intimidaties van het veiligheidsapparaat. Van het buitenland kreeg de junta alleen de steun van de NAVO en de Verenigde Staten, maar kwamen daar niet openlijk voor uit en spraken steeds tegen dat zij de junta hielpen of bij de coup geholpen hadden. De junta zelf durfde geen enkele keer de VS of de NAVO tegen te spreken uit angst voor het wegvallen van de steun.

Zowel Konstandinos Karamanlis als Andreas Papandreou organiseerden verzet tegen de junta vanuit het buitenland. Zij kregen daarbij steun van Griekse kunstenaars als Mikis Theodorakis, die gevangen werd gezet vanwege communistische denkbeelden2.

De los van elkaar opererende binnenlandse verzetsbewegingen pleegden in 1970 en 1971 meerdere aanslagen op gebouwen van de overheid en op Amerikaanse doelen vanwege hun wapenleveranties aan de junta.

In 1973 ontstonden de eerste barsten of kleine scheuren in de façade van de junta. De inflatie begon zeer ernstige vormen aan te nemen (meer dan 10% per jaar) en studenten lieten als eersten via protesten van zich horen. Er was een kleine opstand bij de marine, waarop Papadopoulos opnieuw de koning beschuldigde en daarop de presidentiële parlementaire republiek uitriep. In een rapport van de toenmalige veiligheidsdienst zou zijn aangetoond dat zowel koning Constantijn II als Konstandinos Karamanlis betrokken zouden zijn geweest bij de opstand bij de marine.

Inmiddels was de militaire dictatuur veranderd in een burgerlijke.

Bij de verkiezingen was Papadopoulos de enige presidentskandidaat en hoopte zo een nieuwe termijn van 8 jaar te kunnen beginnen en Griekenland te voeren naar een geleide democratie. Maar nog voor de verkiezingen werd de Technische Hogeschool in Athene door studenten bezet. Dat was november 1973. De studenten kregen steun van de bevolking. Door de acties van de militaire politie vielen er tenminste 24 burgerslachtoffers. Honderden burgers raakten gewond. Papadopoulos werd afgezet door zijn collega, generaal van de gevreesde militaire politie (ESA), Dimitrios Ioannidis om een erger bloedbad te voorkomen.

Deze binnenlandse problemen werden vergezeld door buitenlandse omdat Turkije naar olie wilde gaan boren in de Griekse territoriale wateren in de Egeïsche Zee. Tegen die achtergrond wilde Ioannidis zijn greep op Cyprus verstevigen, maar kreeg te maken met een zeer standvastige Makarios III die alle Griekse officieren uit de Cypriotische Nationale Garde ontsloeg.

De krachtmeting liep uit op een coup door Ioannidis op Cyprus en Makarios III moest vluchten. Ioannidis dacht dat hij de eenwording van Cyprus met het Hellenistische moederland kon gaan vieren, maar dat feest werd verstoord door de invasie van Turkse troepen op Cyprus.

Ioannidis gaf vervolgens de opdracht om Turkije aan te vallen, maar zijn orders werden genegeerd. Het ontbrak hem uiteindelijk aan steun in de legertop. De krachtige legerleiding vroeg vervolgens zelf om een overgang naar een burgerregering en Konstandinos Karamanlis werd als deus ex machina teruggeroepen en aangesteld in juli 1974 als minister president.

 

1975

In 1975 werden de meeste juntaleden ter dood veroordeeld, maar een jaar later werd die straf omgezet in levenslange gevangenisstraf.

Papadopoulis heeft steeds geweigerd amnestie aan te vragen omdat hij geen berouw had van zijn daden en stierf in de gevangenis in 1999.

Ioannidis vroeg om vrijlating in 2007 om gezondheidsredenen. Dat werd hem geweigerd en hij overleed in 2010. Hij heeft nimmer berouw getoond.

Pattakos werd in 1990 om gezondheidsredenen wel vrijgelaten. Hij is inmiddels 101 jaar en heeft steeds aangegeven geen spijt te hebben van zijn daden.

Makarezos werd ook in 1990 om gezondheidsredenen vrijgelaten, maar kreeg huisarrest. Hij overleed in 2009 met spijt over zijn daden tijdens de juntaperiode, maar trots op de economische resultaten die hij voor Griekenland geboekt heeft.

 

Het voortbestaan van de democratie

 

1974

Konstandinos Karamanlis kon gelijk flink aan de slag in een tijd dat Griekenland en Turkije op het punt van oorlog stonden vanwege Cyprus, maar door zijn populariteit en de algemene haat tegen de kolonels zorgde hij voor een soepele overgang naar een parlementaire democratie.

Zijn eerste grote buitenlandse probleem was Turkije, dat ondanks de besprekingen in Genève het noorden van Cyrpus bezette, zo'n 40% van het geheel. Karamanlis greep echter niet militair in, hij kon namelijk weinig steun verwachten van partners als de Verenigde Staten of de NAVO. De Verenigde Staten hadden het te druk met hun president Nixon (Watergate) en Henry Kissinger had Makarios III al eerder de 'Castro van de Middellandse Zee' genoemd. Ook Engeland waste de handen in onschuld en keek de andere kant op.

Op Cyprus was onder de Griekse bevolking wel paniek uitgebroken en zo'n 200.000 inwoners van het noorden waren naar het zuiden gevlucht, met achterlating van de meeste bezittingen.

In Griekenland reageerde Karamanlis onmiddellijk op de aangewakkerde nationalistische gevoelens en probeerde steun te verkrijgen door te dreigen met uittreding uit de NAVO en de sluiting van bases van de Verenigde Staten in Griekenland.

Met betrekking tot de binnenlandse politiek werd het verbod voor communisten om een politieke partij te vormen, opgeheven onder het mom van een toleranter klimaat in de Griekse samenleving.

Binnen de communistische partij was (na de Russische reactie op de Praagse lente van 1968) een splitsing ontstaan tussen de behoudende Stalinisten en de reformisten. Door die splitsing had Karamanlis van de verdeelde communisten als tegenstanders in de politiek weinig te vrezen, maar het was zeer ironisch dat het juist Karamanlis was, die vroeger zo veel kritiek had geuit op de communisten, deze groep nu binnenhaalde in het Griekse politieke systeem. Het gaf echter aan dat hij niet als ultrarechts kon worden bestempeld. De anticommunistische, pro-Amerikaanse en pro-NAVO houding uit de juntaperiode was vrijwel onmiddellijk na zijn aantreden uit de politiek verdwenen.

Eind 1974 werden er verkiezingen gehouden waaraan het hele politieke spectrum deelnam, maar het was vooraf al duidelijk dat de Nea Dimokratia (ND) van Karamanlis zou gaan winnen en met 54% van de stemmen behaalde de partij 219 van de 300 zetels. De kiezers hadden gekozen voor een stevige figuur aan het roer en de verkiezingsleus 'Karamanlis of tanks' had effect gehad.

Andreas Papandreou had inmiddels zijn Panhelleense Socialistische Beweging (PASOK) opgericht, waarvan de kern werd gevormd door gematigde leden van het linkse verzet tegen de junta. Hij behaalde slechts 14% van de stemmen omdat links nogal verdeeld was en omdat Papandreou in het begin vooral autoritair overkwam.

Een referendum bepaalde dat de monarchie niet zou worden hersteld. Het brak de koning nu op dat hij niet direct naar Griekenland was teruggekeerd toen een einde kwam aan het bewind van de kolonels. Constantijn II heeft via de televisie vanuit Engeland nog wel geprobeerd campagne te voeren, maar links Griekenland zag Constantijn niet meer zitten. Karamanlis hield zich afzijdig in de discussie, vermoedelijk vanwege zijn aanvaringen met het koningshuis in de periode voor de kolonels. Men vermoedt dat de monarchie zou zijn hersteld als Karamanlis steun zou hebben verleend aan Constantijn. Uiteindelijk koos slechts 30% voor herstel van de monarchie. De meeste van deze kiezers waren de conservatieve bewoners van de Peloponnesos.

Een jaar later zou een grondwet worden aangenomen waarin bepaald zou worden dat een president het (formele) staatshoofd werd en de regering werd geleid door een minister president.

 

Een binnenlands probleem waarmee Karamanlis te maken kreeg was de berechting van de juntaleden. De studenten eisten zware straffen voor de kolonels, maar Karamanlis wilde de steun van de (oud)sympathisanten niet verliezen.

De processen kon men via de televisie volgen en de kolonels werden ter dood veroordeeld; uit angst dat de legerleiding opnieuw een greep naar de macht zou doen, werd die straf later omgezet in levenslange gevangenisstraf.

Tegelijkertijd lekte namelijk het plan uit om zowel Karamanlis als Makarios III af te zetten, waarop Karamanlis de conservatieve anticommunistische generaal Evangelos Averoff, minister van defensie maakte. Dat stelde de legertop gerust en van een nieuwe coup kwam het niet.

Aan de andere kant was de daadwerkelijke uitvoering van de levenslange gevangenisstraffen een waarschuwing aan het adres van de legertop3.

 

De crisis met Turkije over Cyprus kwam nog in een ander daglicht te staan doordat Turkije naar olie wilde gaan boren in de Egeïsche Zee en doordat Turkije eiste dat Griekenland de eilanden voor de kust van Turkije zou demilitariseren. Griekenland claimde echter het recht op zelfbescherming.

Tijdens het dispuut over of de territoriale wateren 6 km of 12 km waren, voer een Turks inspectieschip de Griekse wateren in, op zoek naar olie. Olie was in de jaren '70 (oliecrisis) erg belangrijk en beide landen waren naarstig op zoek naar mogelijkheid tot oliewinning.

 

Andreas Papandreou riep vanuit de oppositie dat het Turkse schip onmiddellijk tot zinken moest worden gebracht, maar Karamanlis schakelde het Internationale Gerechtshof in Den Haag in. Geen van de partijen droeg bij aan een constructieve oplossing.

Gevolg van de spanning met Turkije was dat gemiddeld een vijfde deel van de overheidsbegroting naar defensie ging, waardoor er maar weinig overbleef voor ontwikkeling van de infrastructuur, onderwijs of gezondheidszorg. Bovendien was de economische erfenis van de junta zeer slecht en de regering neigde ernaar om verschillende noodlijdende banken te nationaliseren, waardoor het toch al grote overheidsapparaat nog weer groter zou worden.

Karamanlis beperkte zich in de eerste jaren echter vooral tot de buitenlandse politiek.

 

1977

Bij de verkiezingen in 1977 verloor Karamanlis 12% maar bleef toch een meerderheid in het parlement houden met 172 van de 300 zetels, terwijl de PASOK van Papandreou bijna verdubbelde naar 25% van de stemmen en 60 zetels. Papandreou werd daardoor leider van de oppositie.

De groei van zijn jonge partij was opmerkelijk en dat had vooral te maken met zijn socialistische retoriek en een beroep op de nationalistische gevoelens bij de kiezers. Waar Karamanlis riep dat Griekenland tot het westen behoorde, riep Papandreou dat Griekenland aan de Grieken behoorde.

De PASOK wist zich landelijk beter dan de ND te organiseren en de boodschap kwam daardoor beter over bij de kiezers.

 

1979

Bij de ND werd het eerste nationale partijcongres in 1979 een grote verwarring toen de leden geen idee hadden waar Karamanlis het over had toen hij sprak over een naar Europa gericht, radicaal liberalisme waarbij Griekenland zou lid moeten worden van de EEG. Daar was in 1961 al een overeenkomst voor gesloten, maar hij wilde echter niet wachten tot 1984 zoals de oude overeenkomst inhield. Het proces zou versneld moeten worden zodat de verminderde bescherming (tegen Turkije) van de Verenigde Staten vervangen kon worden door die van Europa.

Europa had echter twijfels over de economische situatie in Griekenland en vooral over het overheidsapparaat en de bureaucratie, maar Karamanlis speelde in op het gemoed van Europa door te wijzen op de 7 jaar ellende die Griekenland onder de kolonels had meegemaakt, zonder enige positieve reactie of hulp voor het verzet van de kant van Europa. Het beroep op de schuldgevoelens bij de Europese landen werkte in het voordeel van Griekenland en in 1979 werd besloten dat Griekenland per 1-1-1981 volwaardig lid kon worden. Het verdrag moest wel nog door het Griekse parlement geratificeerd worden. De PASOK en de communisten boycotten die vergadering.

 

1980

Karamanlis werd tot president gekozen en de ND moest verder zonder charismatisch leider, waardoor het al snel terugviel op partijruzies en cliëntelisme dat Karamanlis juist had geprobeerd uit te bannen.

Bij de PASOK was Papandreou zich er op dat moment bewust van dat hij een beroep kon doen op de zwevende kiezers in het midden. Ook werd het socialisme meer naar de achtergrond geschoven en beloofde hij de gemiddelde Griek de bescherming van zijn eigen huis, zijn winkel en zijn auto. Hij maakte ermee duidelijk dat hij streed tegen de belangen van de paar families die het in Griekenland voor het zeggen hadden, en gezorgd hadden voor de slechte financieel economische situatie waarin het land verkeerde. Een overwinning van de PASOK zou echter niet leiden tot een verandering van de buitenlandse politiek. Europa noemde hij niet langer de club van kapitalisten en Griekenland zou lid blijven van de NAVO. Het verkiezingsprogramma noemde hij een contract met het volk en gaf het de naam η αλλαγή (de verandering). Het behelsde allerlei zaken zoals de objectiviteit van geschiedenisonderwijs tot de belofte om de smog in Athene op te heffen. Cynici maakten grappen over zijn verandering van coltrui naar overhemd met stropdas, maar dat gaf volgens hem zelf aan dat hij een groter publiek zocht.

De ND zag er inmiddels vermoeid uit en werd geleid door de grijze muis Georgios Rallis, die niet op kon tegen de levendige en vernieuwende uitstraling van de PASOK. Rallis kwam uit een familie met een lange politieke geschiedenis. Zijn overgrootvader van vaders kant was hoofd van het Griekse Hooggerechtshof in 1849, zijn grootvader was een aantal keren (zij het voor korte perioden) minister president van Griekenland in de periode 1897-1921 en zijn vader collaboreerde met de Duitsers en werd minister president in de jaren 1943-1944. Hij werd tot levenslang veroordeeld en overleed in 1946 in de gevangenis. Daarnaast was zijn grootvader van moeders kant (Georgios Theotokis) in de periode 1901-1907 vier keer president.

PASOK won de verkiezingen met 48% van de stemmen (172 van de 300 zetels), ND behaalde 36% en de communisten 11%.

 

1981

De weg naar de macht had voor de PASOK slechts zeven jaar geduurd. Dat had vooral te maken met de jonge kiezers, die (bijna) gefrustreerd wachtten op een echte verandering en de in armoede levende groep die van het platteland naar de stad was getrokken, maar er moest zien te overleven zonder opleiding, werk of gezondheidszorg.

De ND bood met Rallis eigenlijk alleen maar meer van hetzelfde als onder Karamanlis, maar het grote publiek wachtte op een verandering. En de verwachtingen waren dus hoog gespannen toen Andreas Papandreou minister president werd. Hij liep echter niet al te hard van stapel omdat hij wist dat met de financieel penibele erfenis van Karamanlis zijn mogelijkheden beperkt waren. Hij zou zeker 8 jaar nodig hebben om zijn plannen te kunnen realiseren. Zijn eerste veranderingen waren daarom veranderingen die niet of nauwelijks geld kostten, zoals het afschaffen van de viering van de overwinning op de communisten in de burgeroorlog, een taalhervorming, de introductie van het burgerlijk huwelijk, inclusief de mogelijkheid tot echtscheiding, het niet langer strafbaar stellen van overspel en de afschaffing (in theorie) van de bruidsschat.

Daarnaast richtte de partij zich op vrouwenemancipatie, al waren vrouwen in de PASOK net zo slecht vertegenwoordigd als in de ND.

De centrale macht van de overheid werd langzaam aan gedecentraliseerd, overigens met weinig succes omdat de meeste kleine overheden er niet op zaten te wachten. Het betekende namelijk meer werk, meer controlemaatregelen en dus minder vrijheid. En een financiële vergoeding stond er niet tegenover.

Er kwam een nationaal gezondheidsprogramma en er werden ziekenhuizen en klinieken gebouwd. Uiteindelijk zou Griekenland de meeste artsen per hoofd van de bevolking van de hele EU hebben, maar slechts weinigen konden zich veroorloven er gebruik van te maken. Ondanks alle pogingen bleek het vanwege de economische situatie zo goed als onmogelijk om van Griekenland een moderne welvaartsstaat te maken. De economie was vooral blijven steken vanwege de slechte productiviteit, de kleinschaligheid van de particuliere ondernemingen en de slechte infrastructuur.

Zijn grootste binnenlandse probleem was het proberen uit te schakelen van de terroristische 'organisatie van de 17e november', die aanslagen pleegde op Amerikaanse doelen in Griekenland en op Griekse zakenlui.

 

1982-1983

In de buitenlandse politiek verschilde Papandreou inderdaad niet veel van zijn voorganger Karamanlis. De ruzies of gespannen verhoudingen met Turkije, de Verenigde Staten en de NAVO bleven. De PASOK stond in het begin zeer kritisch tegenover een lidmaatschap van de Europese Gemeenschap en beloofde een referendum, maar dat is er nooit gekomen omdat men inzag dat niet toetreden desastreuze gevolgen zou hebben voor Griekenland. Het werd langzaam aan iedereen wel duidelijk dat Griekenland enorm voordeel zou hebben van bijvoorbeeld de landbouwsubsidies.

Andreas Papandreou had grote problemen met de Verenigde Staten en de NAVO omdat hij een groot voorstander was van een nucleair vrije zone in de Balkan en vroeg om uitstel van de plaatsing van kruisraketten in Europa. Tegen de zin in van Griekenland werden er kruisraketten in Europa geplaatst, als gevolg van het NAVO 'dubbelbesluit' uit 1979.

Met Europa verschilde hij van mening over de sancties tegen Polen en hij was de eerste minister president die een bezoek bracht aan generaal Jaruzelski. Hij bezocht daarnaast de weduwe van Salvador Allende en de Sandinisten in Nicaragua. Ook steunde hij openlijk Yasser Arafat en de PLO.

In de relatie met Turkije boekte hij geen succes. Door zijn oproep eerder om de MTA Sismik 1 tot zinken te brengen zag men hem in Turkije niet als een betrouwbare bondgenoot. Toen Papandreou een bezoek had gebracht aan Cyprus riep het noorden van het eiland zich uit tot onafhankelijke staat. Tot op heden wordt die staat alleen door Turkije erkend.

 

1984-1988

In 1984 vond er een confrontatie op zee plaats toen de Turken bij een militaire oefening het vuur openden op een Grieks schip dat zich in Griekse wateren bevond, maar de Turken observeerde.

In 1986 vond er een grensincident plaats aan de oevers van de Evro (grensrivier in Thracië) waarbij twee Turkse en een Griekse soldaat om het leven kwamen.

In 1987 wilde Turkije opnieuw naar olie gaan zoeken in de Egeïsche Zee. De legers aan beide zijden werden gemobiliseerd. Papandreou hield de NAVO en vooral de Verenigde Staten verantwoordelijk voor de crisis en ging in overleg met de Bulgaarse communistische leider Zhivkov. Dat was een flinke terechtwijzing aan het adres van de zogenaamde vrienden van Griekenland, Europa, de Verenigde Staten en de NAVO.

De confrontatie met Turkije bleef uit omdat de Turkse minister president Turgut Özal beloofde alleen in Turkse wateren naar olie te gaan zoeken. Daarop ging Griekenland ook alleen maar op zoek naar olie in delen van de zee waarover geen discussie bestond.

In 1988 werd een doorbraak bereikt omdat er in Davos een niet aanvalsverdrag tussen beide landen werd ondertekend. Beide leiders kregen een 'hot line' telefoonverbinding en brachten officiële bezoek aan elkaar. Vooral om cultureel gebied en op het gebied van toerisme werden successen geboekt.

 

Maar niet lang daarna provoceerde Turkije al weer door met enkele straaljagers het Griekse luchtruim te schenden; opnieuw werden Griekse (onbewoonde) eilandjes door Turkije geclaimd en klaagde de Turken over discriminatie van Turkse Grieken in Thracië.

Bij de Europese verkiezingen in 1984 slaagde de ND er niet in om de PASOK te verslaan, ondanks de kritiek dat de PASOK niet realistisch zou zijn en zou moeten inzien dat er niets bereikt was door Papandreou. De ND won wel 7% maar dat was niet genoeg om de grootste partij te worden.

De sympathieke maar niet charismatische Rallis was bij de nederlaag in 1981 al opgevolgd door de oude minister van defensie, Evangelos Averoff, maar hij stapte ook op toen bleek dat zijn traditioneel conservatisme niet op kon tegen Papandreou.

 

Konstandinos Mitsotakis werd de nieuwe leider van de ND, die onmiddellijk door Papandreou als verrader werd bestempeld omdat hij 20 jaar eerder had gebroken met zijn vader Georgios Papandreou, en zo de kolonels gelegenheid zou hebben gegeven om een staatsgreep te plegen. Zelfs de Turkse bezetting van het noorden van Cyprus werd Mitsotakis in de schoenen geschoven. Beide heren konden niet met elkaar overweg en de onderlinge antipathie zou nog serieuze consequenties hebben voor de politieke patstelling die zou ontstaan bij de verkiezingen in 1989.

 

Konstantinos Mitsotakis kwam net als de meeste andere Griekse politici uit een familie met een politieke achtergrond. Zowel zijn vader als zijn grootvader waren parlementsleden geweest en de grote Griekse roerganger Eleftherios Venizelos was een oom van hem.

Met de Europese verkiezingen in 1984 begon in feite ook de aanloop naar de nationale verkiezingen in 1985. PASOK had in 1981 al aangekondigd het kiesstelsel van evenredig naar proportioneel4 te willen wijzigen, zodat het gunstiger zou uitpakken voor de kleinere (vooral linkse) partijen. Maar PASOK kon de verleiding niet weerstaan om het oude voor hen voordelige stelsel te handhaven en daardoor de kleine partijen te benadelen. Natuurlijk was de ND ook geen voorstander van een fundamentele wijziging.

Griekenland belandde echter nog voor de verkiezingen in een constitutionele crisis. De Griekse president Konstandinos Karamanlis zou ondanks zijn leeftijd van 78 voor een nieuwe termijn gekozen kunnen worden. Naast de steun van zijn eigen achterband de ND, dacht hij te kunnen rekenen op de steun van Papandreou, die enkele keren had aangegeven eigenlijk best tevreden te zijn met Karamanlis als president.

Maar Papandreou schoof op het laatste moment Christos Sartzetakis naar voren, een populaire rechter aan het Hooggerechtshof. Daarnaast gaf Papandreou aan (tot grote ergernis van Karamanlis) om de invloed van de president verder te willen beperken tot formeel staatshoofd en lintenknipper. Als protest hiertegen nam Karamanlis een paar dagen voor het einde van zijn termijn ontslag. De actie van Papandreou gaf wel aan dat de PASOK een vrij radicale partij was en niet bang was om te breken met oude ingesleten tradities. Probleem was echter dat de PASOK kandidaat niet automatisch gekozen werd. Er waren 180 van de 300 stemmen nodig, en die haalde de PASOK niet alleen. Het had daarvoor de steun van de communisten nodig, maar die waren boos omdat het kiesstelsel nog steeds niet gewijzigd was. Er waren drie stemronden voor nodig om Sartzetakis president te maken.

Gevolg was dat de landelijke verkiezingsstrijd plaatsvond in een verbeten atmosfeer met verwijten over en weer. PASOK behaalde uiteindelijk 46% en de ND 41%.

Tijdens de verkiezingsstrijd had niemand het gehad over de penibele situatie waarin de Griekse economie zich bevond, maar na de verkiezingen bleek al snel dat PASOK genoodzaakt was om bezuinigingsmaatregelen door te voeren. De bedoeling was dat men minder zou gaan invoeren, minder staatsuitgaven zou doen en hogere staatsinkomsten zou genereren. Met een flinke EU lening op zak werden de benodigde maatregelen verwelkomd met grote demonstraties en stakingen.

 

Bij de gemeenteraadsverkiezingen een jaar later won de ND in de belangrijkste oude PASOK bolwerken Athene, Thessaloniki en Piraeus.

Het werd duidelijk dat Papandreou niet meer zo populair was als voorheen, maar het lukte zijn concurrent Mitsotakis niet om met een overtuigend alternatief te komen.

 

1988-1989

In de zomer van 1988 keerde het lot zich tegen Papandreou en daarmee tegen PASOK. Papandreou ging voor een medische behandeling naar Londen en moest daar twee maanden blijven, waardoor in Griekenland een machtsvacuüm ontstond en er geregeerd werd 'per fax' en de situatie werd helemaal lastig toen hij na een huwelijk van 37 jaar een scheiding aanvroeg om (in 1989) een jonge stewardes van Olympic Airlines, Dimitra Liani, te kunnen trouwen.

Na zijn herstel in Londen kwam hij naar Griekenland terug met de gedachte een triomfmars te kunnen houden, maar zijn komst werd overschaduwd door een enorm financieel schandaal.

George Koskotas (een Griekse Amerikaan) had een enorm imperium opgebouwd van banken, uitgeverijen, een radiostation en de voetbalclub Olympiakos.

Hij stond onder 24-uur bewaking van de politie omdat hij beschuldigd werd van verduistering van geld, illegale geldtransacties en valsheid in geschrifte. Toch wist hij naar de Verenigde Staten te ontsnappen. In de boeken van zijn Bank van Kreta bleek een tekort van 132 miljoen dollar. De pers sprong er bovenop en al snel werd de Papandreou-regering beschuldigd van het feit dat de overheid gestimuleerd had om de kasreserves bij de Bank van Kreta onder te brengen. Ook zou Papandreou geadviseerd hebben om steekpenningen van gestolen geld aan te nemen. De beschuldigingen leidden tot het ontslag van meerdere ministers en er werd een motie van wantrouwen ingediend in het Griekse parlement tegen Papandreou, na een interview van Koskotas met het blad Time waarin hij stelde dat Papandreou direct betrokken was bij alles waarvan Koskotas beschuldigd werd. Papandreou overleefde twee keer over deze kwestie een motie van wantrouwen. Koskotas werd gearresteerd in Massachussetts en beschuldigd van onder andere verduistering van 200 miljoen dollar. Hij werd uitgeleverd aan Griekenland en kreeg een gevangenisstraf van 25 jaar. Na 12 jaar werd hij vrijgelaten, maar moet zich twee keer per maand melden bij de politie van Athene.

 

Papandreou beschuldigde op zijn beurt niet nader te noemen buitenlandse bronnen die uit waren op het einde van zijn premierschap. Hij maakte overigens wel zijn tweede termijn van vier jaar af, maar was zich bewust van een tanende reputatie.

 

1990-1992

Als slim politicus maakte hij het de ND nog onmogelijk om een meerderheid in het parlement te behalen bij nieuwe verkiezingen door (als een van zijn laatste politieke acties) het kiesstelsel alsnog te veranderen, waardoor de kleine partijen niet langer benadeeld werden. Dat had effect.

De ND behaalde met 44% van de stemmen slechts 144 van de 300 zetels. Ondanks alle problemen en schandalen rond Papandreou behaalde hij nog wel 39%, goed voor 125 zetels. De linkse alliantie met 13% en 28 zetels had een belangrijke positie.

Mitsotakis werd als eerste door de president gevraagd, maar was niet in staat een regering te vormen. Daarna dacht Papandreou dat hij met de linkse alliantie het wel op een akkoordje kon gooien. Helaas stelde de alliantie de eis dat Papandreou zelf niet zou mee doen met de regering. Toen hij dat weigerde bleek dus ook Papandreou niet in staat om een regering te vormen. Uiteindelijk vroeg de president aan Charilaos Florakis, een communist van 75 jaar, maar die bleek ook niet in staat een regering te vormen en gaf de opdracht terug aan de president.

 

Normaal gesproken zouden er nieuwe verkiezingen moeten komen, maar ter elfder ure bleek een overeenkomst mogelijk tussen Mitsotakis en Florakis.

De nieuwe regering werd geleid door Tzannis Tzannetakis, die door Mitsotakis naar voren was geschoven. Met schone handen zou de regering zo kunnen beginnen met het onderzoeken van de schandalen rond Papandreou en zou Mitsotakis niet van rancune beschuldigd kunnen worden. En gelet op de aard van de coalitie werd afgesproken dat het slechts voor een beperkte periode zou zijn en nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven na de onderzoeken van de PASOK perikelen.

De korte termijn coalitie werkte wonderwel positief. De wonden uit de burgeroorlog waren geheeld.

Aan de andere kant was het zeer opmerkelijk dat in Griekenland de communisten deelnamen aan de regering, terwijl in de rest van Europa juist sprake was van aftakeling van het communisme met glasnost (openheid) en perestrojka (staatkundige en economische hervormingen).

Maar in Griekenland werkte het, ondanks dat jongeren uit de communistische jeugdbeweging de partijleiding beschuldigde van uitverkoop en verraad aan het ideaal.

Voor de daaropvolgende verkiezingen maakte Mikis Theodorakis, een oude verzetsheld en componist met zeer linkse ideeën, kenbaar de ND van Mitsotakis te steunen, maar dat resulteerde slechts in een kleine winst van 2% en opnieuw wist de ND niet de meerderheid te behalen. Het kwam drie zetels te kort. De grote verrassing kwam echter van de kant van PASOK die ondanks alle aantijgingen van corruptie en schandalen in de partijtop ook een winst van 2% wist te behalen en eindigde met 128 zetels. De klap viel dit keer in de hoek van de Linkse Alliantie, zij vielen terug van 28 naar 21 zetels.

De drie partijen bleken niet in staat om een coalitie te vormen, zodat de oud-president van de Griekse Bank, Xenophon Zolotas, gevraagd werd een regering van nationale eenheid te vormen waaraan de drie partijen deelnamen. Nieuwe verkiezingen zouden een jaar later worden gehouden.

ND behaalde daarbij 150 van de 300 zetels, PASOK 123 en de Linkse Alliantie 19. Mitsotakis wist met de steun van een éénmansfractie een regering te vormen, Konstandinos Karamanlis werd opnieuw president en voor de PASOK betekende de uitslag terug naar de oppositiebanken.

Mitsotakis kreeg het zeer moeilijk en kon niet anders dan enorme bezuinigingsmaatregelen afkondigen om de gigantische kosten van het overheidsapparaat terug te dringen. Dat bleek echter niet eenvoudig te zijn.

Met de grote veranderingen ten aanzien van de politieke structuur in de buurlanden Albanië, Joegoslavië en Bulgarije, bleek Griekenland de enige stabiele factor in de hele Balkan. In veel communistische landen had men het druk met de perestrojka of met etnische ruzies. Men zou verwachten dat Griekenland daar in economisch opzicht veel voordeel zou hebben, maar Griekenland miste die enorme kans.

Toen de situatie in Albanië veranderde, vond er een exodus plaats van ongeveer 300.000 Grieken uit het zuiden van Albanië, dat door Griekenland steeds Noord-Epirus werd genoemd, naar Griekenland. Maar Griekenland zat daar niet echt op te wachten en deed een beroep op Albanië om de situatie voor de Griekse Albanezen in Albanië te verbeteren. Dat lukte voor een klein deel want eindelijk werd het voor orthodoxe Albanezen mogelijk kinderen orthodoxe namen te geven en zelfs orthodoxe kerkdiensten te organiseren. Het kon echter niet voorkomen dat veel Albanezen hun heil bleven zoeken in Griekenland. Zij vonden (met of zonder vergunning) werk in de laagste regionen, hadden nauwelijks een dak boven hun hoofd en geen enkel recht op een uitkering, mochten ze werkloos worden.

 

Religies in Griekenland - Zie voor een uitgebreidere behandeling van het Griekse geloof en de Griekse kerk het hoofdstuk 'Agia Triada & 12e eeuwse kerkjes'.

 

De komst van de Albanese Grieken maakte wel het Griekse bewustzijn wakker met betrekking tot hun eigen minderheden, die qua aantal overigens zo goed als te verwaarlozen zijn.

Er is een handvol “Waarlijk orthodoxe christenen' die de aanvaarding van de staat en de kerk van de Gregoriaanse kalender, hadden geweigerd te accepteren. Zij hebben hun eigen kerken, hiërarchie en kloosters. Het gaat om ongeveer 5% van de bevolking.

Er is een kleine katholieke groep die zich concentreert op de eilanden Syros en Tinos en een nog kleinere protestantse groep, voornamelijk bestaande uit afstammelingen van een groep Amerikaanse missionarissen, die uit Klein-Azië vluchtte in de 19e eeuw.

Het overgrote deel van de joodse gemeenschap in Griekenland is door de nazi's in Auschwitz om het leven gebracht. Zeer kleine groepen leven momenteel nog in Athene, Thessaloniki en enkele kleine provinciesteden.

De enige officieel erkende groep moslims betreft de bewoners van Thracië. Het is in Griekenland geen Turkse minderheid, maar een moslimminderheid. Het is echter wel duidelijk dat deze groep zich minder als moslim ziet, maar meer als een etnisch Turkse groep.

Het aantal Grieken in Turkije liep in de jaren '90 terug van 3000 tot 1000. Men kan maar moeilijk leven met de Turkse eis dat de patriarch van de orthodoxe kerk in Istanboel een Turks onderdaan is. De enige manier om daar een einde aan te maken zou de eventuele toetreding van Turkije tot de EU kunnen zijn, als de EU-regels ten aanzien van minderheden ook voor Turkije zou gaan gelden.

Natuurlijk zijn er ook klachten over de Griekse discriminatie van moslims in Griekenland, dat moge blijken uit het feit dat er in Athene anno 2014 nog steeds geen moskee is, omdat de orthodoxe kerk daar ook toestemming voor zou moeten verlenen. Dit terwijl er in en rond de stad zo'n 100.000 moslims wonen (met de aantekening dat het veelal gaat om illegaal hier verblijvende vluchtelingen).

 

Macedonië

Een ander probleem uit de jaren '90 betreft Macedonië. Na het uiteenvallen van Joegoslavië riep men in 1991 de onafhankelijke republiek Macedonië uit en klaagde men onmiddellijk over de discriminatie van de Slavische minderheid in wat het land Egeïsch Macedonië noemde. Dat betrof een groot deel van het noorden van Griekenland met onder andere de stad Thessaloniki.

Griekenland maakten onmiddellijk bezwaar tegen de vlag van de nieuwe republiek die verwees naar Phillipus van Macedonië, de vader van Alexander de Grote en klaagde over de inhoud van de nieuwe grondwet van het buurland omdat delen van Griekenland geclaimd zou worden.

De jonge minister van buitenlandse zaken in het kabinet van Mitsotakis, Antonis Samaras, hield consequent vol nimmer een staat te erkennen met dezelfde naam als een provincie van Griekenland. Hij kreeg daarbij steun uit de oppositie van Papandreou die zelfs gesprekken met de politieke leiders zag als hetzelfde als erkennen. Toen hij het daarover aan de stok kreeg met Mitsotakis, stapte hij uit de ND en richtte zijn eigen partij op (1993, de Politieke Lente). Hij nam drie andere ND-leden mee, waardoor de Mitsotakis de meerderheid in het parlement verloor.

 

Het Grieks nationalisme was inmiddels weer aangewakkerd en er werden grote demonstraties georganiseerd die opriepen tot een boycot van Macedonië.

Bij de Verenigde Naties werd het land aangemeld als FYROM (Former Yugoslavic Republic Of Macedonia).

De buitenwereld kon in eerste instantie niet begrijpen waarom zo'n kleine kwestie kon leiden tot een veto van Griekenland bij zowel de EU als bij de NAVO. Griekenland stelde echter dat Macedonië al ruim 4000 jaar tot het Griekse rijk behoorde en dat men bang was delen van Grieks Macedonië te verliezen aan FYROM met als gevolg dat ook Bulgarije een deel van Thracië zou opeisen en vervolgens Albanië een deel van Epirus.

Konstantinos Karamanlis was zelf geboren in Macedonië in 1907 toen het nog deel uitmaakte van het Ottomaanse rijk. Daarna werd het gebied betrokken bij de Balkan-oorlogen van 1912 en 1913 en vervolgens kreeg het te maken met de gruwelijkheden uit de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende burgeroorlog. Het waren deze gruwelijkheden waardoor de kwestie zo gevoelig lag bij Griekenland.

De anti-Macedonië actie van Griekenland kostte erg veel geld en erger nog, het bleef zonder succes. Het had (internationaal) de goodwill en geloofwaardigheid aangetast.

Het werd nog erger toen Griekenland openlijk sympathie toonde voor het (eveneens orthodoxe) Serven in het bloedige conflict van Bosnië. De steun voor de Serven bleef echter alleen bij woorden.

Met betrekking tot het binnenland was Mitsotakis genoodzaakt tot flinke verhoging van belasting op benzine en alcohol. Bovendien werd het Btw-tarief verhoogd. Deze impopulaire maatregelen gingen samen met voorstellen tot privatisering van in problemen verkerende staatsbedrijven met veel te veel personeel. Door zijn tegenstanders werd hij vergeleken met Margareth Thatcher. Het ging zelfs zijn partijgenoot en president van Griekenland, Karamanlis, te ver en vond dat er een betere verdeling van de lasten zou moeten komen.

Hij had het helemaal gedaan toen hij aankondigde 35 eilanden in de Golf van Argolida en de Saronische Golf te willen verkopen om uit de problemen te kunnen komen. Een Turkse multimiljonair had al aangekondigd een bod op een van de eilanden te willen doen.

Een andere ontwikkeling was de uiteindelijke vrijspraak van Papandreou in de zaak rond de Bank van Kreta. Vijf oud-ministers, waaronder Papandreou waren aangeklaagd. De belangrijkste figuur was daarbij Agamemnon Koutsogiorgas, minister van justitie en plaatsvervanger van Papandreou. Hij werd aangeklaagd voor het aannemen van 1,3 miljoen dollar in ruil voor bescherming van Koskotas, maar Koutsogiorgas stierf voordat de rechter een uitspraak kon doen. Papandreou werd zoals gezegd vrijgesproken maar twee andere ministers kregen wel gevangenisstraffen opgelegd.

 

De Europese Unie

Het Verdrag van Maastricht werd in juli 1992 met 286 van de 300 stemmen door het Griekse parlement geratificeerd. De verwachting was dat het Griekse voordeel in de eerste vijf jaar ongeveer 2 miljard euro zou bedragen. Zowel de ND als de PASOK waren enthousiast over de euro, hoewel men wist dat Griekenland niet of alleen met zeer grote moeite zou kunnen voldoen aan de voorwaarden. Europa wist dat Griekenland het armste lid was, met de hoogste inflatie, de hoogste rente op staatsleningen en het grootste tekort op de begroting.

Met het doel om aan de macht te kunnen blijven werd door Mitsotakis een derde van de overheidsbanen aan ND-kiezers gegeven, maar de partij kwam in moeilijkheden toen twee ministers naar huis gestuurd werden, waaronder Antonis Samaras (over de kwestie Macedonië).

 

1993

Nieuwe verkiezingen volgden eind 1993. Over en weer werd in de verkiezingsstrijd met modder gegooid. Papandreou werd beschuldigd van radicalisme, maar kwam met een op zich degelijk plan voor privatisering van verschillende overheidsbedrijven. Hij presenteerde PASOK niet langer als socialistisch, maar voor het eerst als Europese sociaaldemocratische partij.

Mitsotakis werd slapheid verweten in de kwestie rond Macedonië.

PASOK behaalde met 170 van de 300 zetels een ruime meerderheid; de ND behaalde 111 zetels, Samaras 10 en de communisten, voor het eerst onder aanvoering van Aleka Papariga, 9.

Het tegenvallende resultaat van Mitsotakis leidde tot zijn vervanging door de populistische Miltiades Evert, die in zijn ambt van burgemeester van Athene eerder de bijnaam bulldozer had gekregen.

 

Papandreou plaatste zijn zoon Georgios aan het hoofd van de dienst voor overzeese Griekse aangelegenheden. Zijn derde vrouw Dimitra Liani werd hoofd van het bureau van de minister president.

De komst van Papandreou bracht een golf van onrust onder de Europese partners, die vrijwel allemaal diplomatieke relaties aanknoopten met Macedonië, net als de Verenigde Staten. De Grieken waren woedend en er werd een demonstratie georganiseerd voor het consulaat van de Verenigde Staten in Thessaloniki. De Grieken werden daarna met de nek aangekomen en als klap op de vuurpijl weigerde de Griekse minister van Buitenlandse zaken naar de vijftigste verjaardag van de bevrijding van Auschwitz te gaan omdat de vlag van Macedonië fier zou wapperen naast die van Griekenland.

 

1994

In 1994 vond ook een grensincident met Albanië plaats: een Grieks sprekende bende viel een Albanese legereenheid aan waarbij twee soldaten sneuvelden. De Griekse overheid ontkende enige betrokkenheid, maar in Albanië werd bij een Griekse vereniging zes leden gearresteerd en veroordeeld tot 6 en 8 jaar gevangenisstraf wegens illegaal wapenbezit. Griekse journalisten die het proces wilden volgen werden het land uitgezet. Als antwoord zette Griekenland enkele duizenden illegale Albanezen het land uit.

 

1995

In 1995 verbeterden de relaties met zowel Albanië als met FYROM, vooral dankzij de bemiddeling van de Verenigde Staten. FYROM zou geen claim meer leggen op de provincie van Griekenland met die naam en het dispuut over de vlag werd bijgelegd, omdat FYROM inmiddels niet meer de ster van Phillipus in de vlag had verwerkt. Officieel heet het land FYROM, in de rest van Europa wordt het Macedonië genoemd, maar in Griekenland wordt het land aangeduid als 'Skopje', naar de hoofdstad. Griekenland tekende het verdrag van New York en de blokkade van Macedonië werd opgeheven.

Ook met Albanië werd de relatie verbeterd, wat zich vooral vertaalde in een betere positie voor de in Griekenland (illegaal) verblijvende Albanezen.

De relatie met Turkije bleef echter problematisch, doordat Turkije het Griekse luchtruim bleef schenden, variërend van 240 keer in 1991 tot ruim 700 keer in 1995.

Toen de Verenigde Naties wet van kracht werd over de territoriale wateren bleek dat Griekenland geen 6 mijl maar een 12 mijl zone mocht hanteren, waardoor de Egeïsche Zee voornamelijk Grieks was. Maar het Turkse parlement was het niet eens met de Verenigde Naties en dreigde met geweld. De relatie werd er niet beter op toen Griekenland een verdrag van Turkije met de Europese Unie tegenhield met een veto. Daar bovenop kwam de instelling van de 19e mei als officiële herdenking van de genocide door de Turken op tienduizenden Pontische Grieken.

 

Om de situatie in die jaren verder te schetsen werd in 1994 een Turks diplomaat vermoord door de ultralinkse beweging van de 17e november en in 1995 onderschepten twee Griekse Mirage's vier Turkse F-16's die boven Grieks grondgebied vlogen. Een van de Turkse straaljagers crashte op Rhodos. Datzelfde jaar zorgde een Turkse minister voor enkele incidenten tijdens een privébezoek aan Thracië. Zijn provocerende woorden schoten in het verkeerde keelgat van de Grieken en zijn auto werd met stenen bekogeld door zowel Grieken als Cyprioten, Armeniërs en Koerden.

 

Papadreou had altijd veel kritiek gehad op de bezuinigingen van Mitsotakis maar om te kunnen voldoen aan de voorwaarden van de Europese Monetaire Unie moest hij wel akkoord met vergaande maatregelen om de schulden van Griekenland terug te dringen en de inflatie tegen te gaan. Het waren maatregelen die Mitsotakis al had aangekondigd maar nu door Papandreou ten uitvoer werden gebracht. En voor het eerst sinds vele jaren daalde de inflatie onder de 10%.

Toen de PASOK een kwart van de nationale telefoonmaatschappij (OTE) beloofde te privatiseren, leidde dat tot grote demonstraties en protesten, maar de privatisering was wel nodig om de tekorten terug te kunnen dringen. Ook de maatregel om de boeren onder het reguliere belastingstelsel te brengen leidde tot heftige protesten en tot wekenlange blokkades van wegen en spoorwegen.

Het land kwam volledig plat te liggen en de minister van openbare orde (Stelios Papathemelis) trad af omdat hij weigerde (met geweld) in te grijpen.

Als protest stapte ook Dimitris Tsovolas uit de PASOK en richtte zijn eigen partij (Democratische Socialistische Beweging) op.

Papandreou hield zich niet meer bezig met politieke retoriek en was lichamelijk nog maar tot enkele uren per dag tot werken in staat. De daadwerkelijke politieke macht kwam daardoor te liggen bij Dimitra Liani en een kleine club intimi. Het begon te rommelen in de PASOK.

Papandreou en Liani lieten een enorme villa bouwen in de duurste wijk van Athene. Over dit in de volksmond het 'roze paleis' genoemd, deden de wildste geruchten de ronde. Papandreou deed zelf nog eens olie op het vuur door te zeggen dat hij de villa kon bouwen met renteloze leningen die hem waren gegund door kabinetsleden.

Het politieke klimaat werd nog eens verder vertroebeld toe ook Mitsotakis werd beschuldigd van het aannemen van steekpenningen bij de verkoop van een Grieks staatsbedrijf (cementbedrijf) aan een Italiaanse onderneming. Ook werd hij beschuldigd van het afluisteren van telefoongesprekken van zijn politieke tegenstanders maar die beschuldiging werd later weer ingetrokken.

De 88-jarige Konstandinos Karamanlis werd in 1995 als president opgevolgd door een gerespecteerde advocaat, Kostis Stephanopoulos. Hij was jarenlang lid geweest van de ND, maar uit die partij gestapt in 1985 en had toen zijn eigen partij opgericht. Met steun van de Politieke Lente (van Samaras) en de PASOK werd hij tot president gekozen. Hij zou twee termijnen van vijf jaar uitdienen.

In 1995 bedanken enkele prominenten voor hun PASOK lidmaatschap en wordt de druk ook van binnenuit de partij opgevoerd op Papandreou om af te treden. Hij is dan vanwege zijn slechte gezondheid (nierproblemen) nog maar tot twee uur werken per dag in staat. En als hij aan het eind van het jaar in op de Intensive Care belandt, komt de roddelpers met compromitterende foto's van Dimitra Liani uit de periode voordat zijn Papandreou trouwde. Zij houdt verdere familie en vrienden van Andreas weg en vertrouwt op de werking van heilige olie, iconen en astrologen. Buiten het ziekenhuis bieden sympathisanten spontaan hun organen aan.

 

1996-1997

De regering is min of meer verlamd; Tsokatzopoulis neemt waar, maar Papandreou weigert een opvolger aan te wijzen of zijn ambt neer te leggen. Zelfs zijn zoon Georgios, dan minister van onderwijs, is van mening dat het beter voor Griekenland zou zijn, als zijn vader zou aftreden. Uiteindelijk doet Papandreou dat begin 1996 en wordt opgevolgd door Kostas Simitis. Een half jaar later overlijdt Papandreou.

Aan het tijdperk van de dinosaurussen, zoals Andreas Papandreou en Konstandinos Karamanlis genoemd werden, kwam hiermee een einde. Hun beider charisma had in hun successen een enorm belangrijke rol gespeeld, maar het werd tijd voor een nieuwe generatie.

De 41-jarige Kostis Karamanlis werd in 1997 als opvolger van Miltiades Evert de nieuwe leider van de ND. Hij was de neef van de oprichter van de partij en de eerdere president (Konstandinos Karamanlis) en dat was opnieuw een indicatie voor de Griekse in stand gebleven politieke mores met de nadruk op familiebanden.

Bij de PASOK had een jaar eerder de relatief jonge Kostas Simitis (60 jaar) het stokje overgenomen. Hij had geen familie in de politiek en voor de verandering hield hij zijn familie ook buiten de politiek. In tegenstelling tot die van Papandreou had hij een bescheiden levensstijl, maar hij miste ook zijn charisma. In plaats van confronterende toespraken, prefereerde hij lange wetenschappelijke monologen en hij kon absoluut niet overweg met de pers.

 

Als minister president kwam Simitis al snel voor de oude bekende problemen te staan, zoals de relatie met Turkije over de zeggenschap over een klein onbewoond eilandje (Imia, Turks: Kardak, in de buurt van Kalymnos). Griekse nationalisten hadden er een Griekse vlag neerzet, maar journalisten van een nationalistische Turkse krant gingen er met een helikopter naartoe om de Griekse vlag naar beneden te halen en de Turkse te hijsen. De media in beide landen konden het nationalisme aan beide zijden flink aanwakkeren. Griekse commando's haalden daarna de Turkse vlag weer naar beneden, terwijl Turkse commando's de Turkse vlag hesen op een ander klein Grieks eilandje in de buurt. Oorlogsschepen van beide landen werden naar de eilandjes gestuurd. President Bill Clinton van de Verenigde Staten wist in 1996 een confrontatie te voorkomen. Beide landen trokken zich terug van de eilandjes. Dat werd in Griekenland gezien als een nederlaag voor de regering Simitis. De chef van de militaire staf werd ontslagen en het anti-Amerikanisme stak opnieuw de kop op, ondanks dat erg veel Grieken familieleden in de Verenigde Staten hebben. Maar het algemene gevoelen was dat de Verenigde Staten (secretary of state Richard Holbrooke) Turkije had bevoordeeld in de kwestie. De Griekse boosheid richtte zich ook opnieuw op Europa, dat Griekenland geen enkel teken van steun of sympathie had gegeven.

Uiteindelijk wist Griekenland te Europa wel te overtuigen dat de eilandjes tot Griekenland behoorden. In de relatie met Turkije ging het na 20 jaar ruzie niet langer over territoriale wateren of luchtruim, maar voor de eerste keer om grondgebied.

Turkije verhoogde de spanning opnieuw door te claimen dat het tot dan toe Griekse eiland Gavdos, ten zuiden van Cyprus eigenlijk Turks was en dat er nog wel meer 'grijze gebieden' in de Egeïsche Zee waren waarvan de soevereiniteit nooit goed geregeld was. De Turkse president (Süleyman Demirel) haalde de woede van de Grieken op zijn hals door in een Tv-interview te zeggen dat het wel om 130 eilanden ging.

Met Cyrpus ging het ook niet voor de wind, want als bij een toetreding of andere overeenkomst met de Europese Unie het noordelijke Turkse deel niet betrokken zou worden, zou een eenwording er zeker nooit meer van komen. Bij een grensincident op het eiland vielen vijf doden: vier Grieks-Cyprioten en een Turks-Cyprioot.

 

Beide problemen met Turkije waren voor de regering aanleiding om een modernisering van de defensie te plannen over een periode van tien jaar. Het zou ongeveer 16,8 miljard dollar gaan kosten, want Griekenland had nieuwe oorlogsschepen nodig, onderzeeërs, helikopters en een nieuw luchtafweersysteem. De NAVO-partners waarschuwden zowel Griekenland als Turkije voor een al te grote wapenwedloop tussen beide landen, maar het kon niet voorkomen dat Griekenland ongeveer 4,6% van het BNP aan defensie uitgaf; het hoogste van alle NAVO-landen.

En de Verenigde Staten vonden het prima, want zij verkochten hun nieuwe state-of-the-art technologie zowel aan Griekenland als aan Turkije. Het laat zien dat Griekenland de oplossing van andere dan economische problemen belangrijker vond. Waar in de periode na de Tweede Wereldoorlog andere landen bezig waren geweest met de opbouw van de economie en samenleving, had Griekenland intern problemen en konden pas vier jaar later voorzichtig aan de opbouw beginnen. En nu eind jaren '90 was duidelijk dat de economische problemen erg groot waren, maar meer belang werd gehecht aan modernisering van het defensiematerieel.

Bij de verkiezingsstrijd in 1996 had Simitis zich gepresenteerd als technocraat en nam afstand van de populistische demagogie van zijn voorganger. Hij schilderde een sombere toekomst voor Griekenland omdat bezuinigingsmaatregelen onvermijdelijk waren, wilde men kunnen voldoen aan de EU-voorwaarden uit het verdrag van Maastricht.

Miltiades Evert was toen nog zijn tegenkandidaat van de ND; hij nam afstand van zijn neo-liberale voorganger Mitsotakis en beloofde de belasting- en sociale zekerheidshervormingen van de PASOK terug te draaien. Bovendien beloofde hij de sterke man tegen Turkse intimidatie te zijn. Voor het eerst in de Griekse geschiedenis waren er verkiezingsdebatten op de Griekse televisie.

PASOK behaalde 162 van de 300 zetels, een comfortabele positie. De ND behaalde slechts 108 zetels omdat de linkse kleinere partijen ook een flinke winst hadden geboekt.

Samaras kwam met zijn Politieke Lente niet terug in het parlement.

Omdat er in de PASOK geen charisma meer was dat stemmen kon winnen, viel men terug op de oude praktijk van cliëntelisme. Simitis aarzelde om de macht van de vakbonden aan te pakken of het kostbare pensioenstelsel te herzien. Hij concentreerde zich vooral op de economie ten opzichte van de mogelijk toetreding tot de Europese Monetaire Unie en de invoering van de euro in 2001, maar kon zich daarbij niet veroorloven de belangen van zijn kiezers te schaden. De toetreding tot de euro bleek een ambitieus plan waar drastische maatregelen voor nodig waren. Daar volgden vanzelfsprekend serieuze protesten op. Boeren legden gedurende drie weken het gehele land plat, ambtenaren legden het werk neer, inclusief politieagenten en diplomaten. Toen Simitis weigerde te capituleren werden de acties uitgebreid. De acties zouden een terugkerend ritueel worden in de periode van de Nieuwe PASOK. Nadat eerst de boeren verplicht werden inkomstenbelasting te betalen, werd vervolgens de aandacht gelegd op artsen en advocaten. Groot was de verontwaardiging in het land waar belastingverplichtingen tot dan toe als een 'optie' werden beschouwd, zoals verkeersregels als 'aanbevelingen'.

 

1998

Plannen tot privatisering van delen van Olympic Airways stuitten op veel verzet, net als die bij de volksbank (Ethniki Trapeza). De vakbonden waren erg machtig en de spanningen liepen hoog op met stakingen van het bankpersoneel en stiptheidsacties van de luchtvaartmaatschappij die tot dan toe een monopoliepositie had gehad.

Ook de onderwijshervorming (om de noodzaak van particuliere bijlessen op te heffen) stuitte op verzet van het onderwijzend personeel. Phrondistiria (particuliere bijles-instellingen) waren en zijn nog steeds een (kostbare) verzekering voor een goede vervolgstudie. De situatie met de noodzakelijke bijlessen had ervoor gezorgd dat veel leerlingen na het vervolgonderwijs naar de universiteit konden. Het gemiddelde staatsonderwijs was slecht en veel ouders waren genoodzaakt bijlessen voor hun kinderen te regelen zodat ze toch naar de universiteit konden. Regelmatig werden die bijlessen verzorgd door de onderwijzers die op de reguliere scholen dezelfde kinderen geen goed onderwijs konden of wilden bieden. Het onderwijzend personeel wilde die situatie wel in stand houden, omdat ze extra inkomsten hadden als phrondistirio.

 

1999-2000

Georgios Papandreou werd als minister van buitenlandse zaken de opvolger van de confrontatie zoekende Pangalos, die (met twee collega's) moest aftreden wegens het fiasco in de zaak van de Koerdische leider Abdullah Öcelan. De PKK-leider had (met een Cypriotisch paspoort) zijn toevlucht gezocht in de Griekse ambassade in Nairobi. Van daaruit wilde hij naar de Seychellen vliegen. Het klungelige optreden van Griekse beveiligers en het Keniaanse overheidspersoneel leidde ertoe dat hij Kenia overhaast moest verlaten. Öcelan dacht dat hij in het vliegtuig naar Amsterdam zat, maar in werkelijkheid werd hij door de Turkse geheime dienst naar Ankara ontvoerd, waar hij terecht moest staan.

Georgios Papandreou probeerde als minister van buitenlandse zaken vooral de relatie met Turkije te versoepelen. Er waren – naast de problemen met Öcelan – net nieuwe spanningen ontstaan door plaatsing van raketten op Cyprus.

Hij vond het geen probleem als de Griekse moslims zichzelf Turken wilden noemen en hij zorgde voor een goede samenwerking met Turkije in de opvang van vluchtelingen uit de Kosovo-oorlog. Het feit dat de beide landen met opzet buiten de beslissingen van de NAVO werden gehouden schiep een band en bracht de landen dichter bij elkaar.

Een hulpaanbod van Griekse reddingswerkers na een hevige aardbeving in het noordwesten van Turkije werd bijzonder op prijs gesteld. Dat de Griekse hulptroepen snel en adequaat werkten leverde veel positieve reacties bij Turkse politici en in de Turkse pers.

Een maand later werd Griekenland getroffen door een aardbeving en onmiddellijk stuurde Turkije hun reddingswerkers naar het Griekse rampgebied. Geen wonder dat later gesproken zou worden over een 'aardbevingsdiplomatie'.

Papandreou wilde graag dat Griekenland de locomotief zou zijn die Turkije binnen de Europese Unie zou kunnen brengen en hij bracht in 2000 een officieel bezoek aan Ankara, waar hij een krans legde bij het mausoleum van Kemal Atatürk.

Helaas werd er geen voortgang geboekt met betrekking tot Cyprus.

De landelijke verkiezingen in 2000 lieten twee partijen zien die allebei werkzaam waren in het centrum van het politieke spectrum. De verschillen tussen PASOK en ND waren inmiddels erg klein geworden. In feite ging het alleen over de wijze van implementatie van de bezuinigingsmaatregelen. Het werd een nek-aan-nekrace met de PASOK als uiteindelijke winnaar. Hoewel het verschil slechts 1% was, werd dit op basis van het kiesstelsel 158 zetels voor de PASOK en 125 voor de ND. De PASOK overwinning was vermoedelijk te wijten aan het feit dat Kostas Karamanlis van de ND, nog geen regeringservaring had.

Voor het eerst kwam de inflatie onder de 3% en de boekhouder Simitis ging verder bij waar hij gebleven was: serieuze bezuinigingsmaatregelen. Griekenland had zich gekwalificeerd voor de deelname aan de Europese Monetaire Unie en in juni 2000 werd Griekenland geaccepteerd zodat per 1 januari 2001 de euro ingevoerd kon worden.

 

2004

In 2004 trad Simitis terug en werd opgevolgd door Georgios Papandreou als leider van de PASOK.

Bij de verkiezingen van dat jaar werd de partij verslagen door de ND van Kostas Karamanlis.

 

2007

In 2007 schreef Karamanlis vervroegde verkiezingen uit en kwam opnieuw als grootste uit de bus. Door de tweede nederlaag van de PASOK werd een congres bijeengeroepen om een nieuwe leider aan te wijzen, maar opnieuw koos men voor Georgios Papandreou.

 

2008

In 2008 braken hevige rellen uit omdat bij een demonstratie een jongen van 15 jaar (Alexandros Grigoropoulos) door de politie werd doodgeschoten. De politieagenten voelden zich bedreigd omdat hun auto werd bekogeld met verschillende voorwerpen door verschillende jongeren. Een agent vuurde een waarschuwingsschot dat afketste en de jongen raakte. Maar omstanders verklaarden anders: de politie zocht de confrontatie met de jongeren en zou gericht geschoten hebben (zonder enige waarschuwing). De wijk waar de jongen is doodgeschoten Exarcheia, is een bolwerk van linkse activisten c.q. anarchisten.

In de periode van de aanhoudende rellen werden banken en verschillende winkels belaagd met brandbommen en plunderingen, werden er politie-eenheden beschoten en scholen en universiteiten bezet.

De in eerste instantie vreedzame protesten vonden plaats tegen de achtergrond van een wereldwijde crisis, grote corruptieschandalen in het eigen land, opgelegde bezuinigingen die alleen de zwakkeren in de samenleving raakten en stijgende armoede en (jeugd-)werkloosheid.

De Griekse regering veroordeelde de schietpartij en Karamanlis schreef een condoleancebrief aan de familie van de jongen en verklaarde op televisie dat de strijd tegen de anarchistische, maatschappij-ontwrichtende relschoppers zou doorgaan. Hij gaf tevens opdracht aan de minister van financiën om de burgers van wie de huizen of winkels beschadigd waren financieel te compenseren. Ook andere schade aan bedrijfsgebouwen werd vergoed.

De aartsbisschop riep op tot kalmte en probeerde begrip te tonen door te stellen dat het de gevolgen van de wereldwijde economische crisis waren, waardoor de jongeren zo boos waren.

Bij vele Griekse ambassades over de gehele wereld vonden (studenten)demonstraties plaats.

Alle politieke partijen waren het erover eens, het incident stond op zichzelf en de bewuste agent moest en zou berecht worden. Dat is twee jaar later ook gebeurd met een veroordeling tot levenslange gevangenisstraf.

 

Bij de regeringsgezinde (conservatief liberale) krant Eleftheros Typos werd een fotograaf ontslagen omdat zijn (door de krant geweigerde) foto van een politieagent die zijn pistool richt op demonstranten op het internet was geplaatst.

Ook in 2008 werd de positie van Griekenland door kredietbeoordelaar Moody's op A1 gezet, het laagste van de Eurozone en zonder uitzicht op verbetering als de politieke en economische instabiliteit zou aanhouden.

 

2009-2010

Waarom Karamanlis in 2009 vervroegde verkiezingen uitschreef is nooit helemaal duidelijk geworden en menigeen sprak over politieke zelfmoord, want de PASOK werd de grootste partij en Georgios Papandreou werd eind 2009 minister president. Hij kreeg vrijwel onmiddellijk te maken met enorme financiële tegenvallers en als klap op de vuurpijl bleek de Griekse overheid jarenlang met de cijfers te hebben geknoeid om aan de voorwaarden van de Europese Monetaire Unie te voldoen. Griekenland had te maken met grote tekorten die eerder uit de boeken waren gebleven. Goldman Sachs, JP Morgan en andere banken hadden producten ontwikkeld waarmee vooral de 'probleemlanden' hun financiële voor het gezicht positiever konden maken. Een tekort over 2009 van in eerste instantie 6% bleek later 12,7% en uiteindelijk 15,4% te bedragen.

Het probleem van de tekorten kon alleen opgelost worden met hulp van het Internationale Monetaire Fonds en de Europese Unie. De eerste lening (totaal 110 miljard euro) werd door het IMF, de ECB en de EU in mei 2010 toegezegd onder de voorwaarde dat Griekenland het begrotingstekort zou terugdringen door grote bezuinigingen en het overheidsapparaat zou hervormen. Papandreou beloofde plechtig om de problemen op te lossen door ambtenaren te ontslaan, op de salarissen van ambtenaren te korten, de pensioenleeftijd te verhogen en de accijnzen op sigaretten en alcohol te verhogen. Daarnaast werd duidelijk dat verschillende staatsbedrijven geprivatiseerd zouden moeten worden. Alleen de aankondiging al van de maatregelen leidde tot enorme protesten.

Samaras had zijn partij de Politieke Lente in 2004 opgeheven en werd in 2009 de opvolger bij de ND van Kostas Karamalis, die zelf weer plaats nam in het parlement. Bij de strijd om het leiderschap van de ND had Samaras geduchte concurrentie van Dora Bakoyianni, voorheen minister van buitenlandse zaken onder Kostas Karamanlis, minister van cultuur onder haar vader Mitsotakis en ex-burgemeester van Athene. Zij is een achterkleinkind van Eleftherios Venizelos.

 

Haar echtgenoot Pavlos Bakoyianni, was (net als haar broer) ook parlementslid voor de ND; hij werd vermoord door de beweging van de 17e november. Zij is hertrouwd met zakenman Isidoros Kouvelos. Dora zou later door Samaras uit de ND gezet worden omdat zij het niet eens was met het ND standpunt m.b.t. de nodige bezuinigingsmaatregelen. Ze is ooit verdacht van betrokkenheid bij witwaspraktijken van haar huidige echtgenoot, maar tot een veroordeling van haar, noch haar echtgenoot is het ooit gekomen. In 2014 werd haar zoon Kostas Bakoyiannis (onafhankelijk van enig poltieke partij), met veel stemmen gekozen tot regionaal gouveneur van Centraal Griekenland. Daarvoor was hij burgemeester van Karpenisi, een stadje met 13000 inwoners eveneens in Centraal Griekenland. In een interview in de kwaliteitskrant To Vima gaf hij te kennen voor het bail-out memorandum te zijn en stelde dat Griekenland zelfmoordregeringen nodig had om schoon schip te maken het verrotte politieke systeem en daardoor het land te redden.

 

2011

Anderhalf jaar later werden de Europese leiders het eens over het afschrijven van 53% van de lening van Griekenland aan particuliere schuldeisers. De eerste lening bleek niet voldoende; een tweede lening van 130 miljard zou nodig zijn om een faillissement van Griekenland te voorkomen.

De aangekondigde nieuwe bezuinigingen vallen zeer slecht in Griekenland en demonstraties volgen met grote onrustige perioden. Aangenomen wordt dat de problemen in Griekenland niet op zichzelf staan want Spanje, Portugal, Italië en Ierland hadden soortgelijke problemen en steun van Europa en het IMF nodig. Er gingen stemmen op om Griekenland uit de euro te zetten en terug te laten gaan naar de drachme. Ook in Griekenland werd de roep om de terugkeer van de drachme groter.

Maar Papandreou zag een terugkeer naar de drachme niet zitten, omdat volgens hem in dat geval de problemen nog vele malen erger zouden zijn. Hij probeerde eind 2011 de gemoederen te sussen door te beloven een referendum in Griekenland te houden over het bezuinigingspakket dat Griekenland door Europa was opgelegd. En dat viel natuurlijk weer verkeerd in Europa dat Griekenland met noodsteun zo nobel had geholpen. De Franse minister-president Sarkozy en bondskanselier Merkel van Duitsland dreigden de geldkraan naar Griekenland dicht te draaien, want uit het referendum zou wel eens kunnen blijken dat de Grieken toch kozen voor de terugkeer naar de drachme. Papandreou besloot het referendum in te trekken.

Om de problemen in Griekenland te kunnen oplossen stelde hij een overgangsregering van nationale eenheid voor. Er werd een grote coalitie gevormd met de ND en de zeer rechtse LAOS (Orthodoxe Volks Unie). Die coalitie werd geleid werd door de ex-vice president van de Europese Centrale Bank, Lucas Papademos. Georgios Papandreou trad terug als minister president en nam weer plaats in het parlement.

Papademos leidde de overgangsregering naar de verkiezingen die in 2012 gehouden zouden worden. Hij stelde twee eisen vooraf: de eerste was dat er geen strikte termijn zou worden gehanteerd voor de regering en ten tweede dat zowel ministers van PASOK, als van ND zouden deelnemen aan de regering. Samaras (leider van de ND) weigerde in eerste instantie, omdat hij dacht met een nieuwe verkiezing beter uit de bus te kunnen komen, maar ging uiteindelijk toch akkoord omdat hij inzag dat nieuwe verkiezingen geen oplossing voor de situatie betekende. Het kabinet kreeg de steun van de nationalistische LAOS. Papademos had eerder ook de communisten en de linkse SYRIZA uitgenodigd om deel te nemen aan de overgangsregering, maar beide partijen bedankten voor de eer.

Papademos gaf aan twee doelen te hebben: te voldoen aan de voorwaarden om de bail out te krijgen en om Griekenland in de eurozone te houden. Griekenland werd onder toezicht van de trojka gesteld (het IMF, de ECB en de EU) en Papademos waarschuwde de arbeiders de loonsverlagingen te accepteren, omdat anders de problemen voor Griekenland niet overzien zouden zijn.

 

2012

Bij de verkiezingen van mei 2012 behaalde de ND 108 zetels en werd SYRIZA de op een na grootste partij. Samaras kon geen kon geen meerderheidskabinet vormen; SYRIZA en de PASOK waren daartoe evenmin in staat. De dreiging hing in de lucht dat de salarissen van de ambtenaren over juli niet uitbetaald zouden kunnen worden omdat de staatskas dan leeg was. Nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven voor juni 2012. Papademos trad af en werd opgevolgd door Panagiotis Pikrammenos, een rechter en voorzitter van de Griekse Raad van State. Hij zou een interim-regering van technocraten leiden voor de duur van enkele maanden.

De verkiezingen van juni 2012 wezen opnieuw de ND als grootste partij aan, nu met 129 zetels. PASOK zakte verder weg vanwege de door Papandreou gesloten overeenkomsten met de EU, het IMF en de ECB. De ellende van de bezuinigingen werden vooral de PASOK verweten, terwijl Griekenland onder de ND liet zien aan de voorwaarden van toetreding tot de eurozone te voldoen, hoewel er flink geknoeid was onder de leiding van de ND met de gegevens.

SYRIZA werd tweede partij en kwam met 70 zetels in het parlement. De neo-nazi's van de Gouden Dageraad behaalden 18 zetels, de rechts afsplitsing van de ND, de Onafhankelijke Grieken 17 en de communisten 12.

Georgios Papandreou en Antonis Samaras waren kamergenoten geweest tijdens hun studie aan het Amherst College in Massachussetts, maar op politiek gebied waren het elkaars rivalen. Papandreou trad terug als partijleider en werd door Evangelos Venizelos (geen familie van) opgevolgd.

Samaras vormde met de PASOK en Democratisch Links een regering die kon rekenen op een meerderheid in het parlement. PASOK en Democratisch Links namen genoegen met enkele ministersposten.

Dimitrios Ioannidis

(1923-2010)

Konstandinos Karamanlis

landt in Athene in 1974

Papandreou en Özal in Davos (eerste ontmoeting in 1986)

Konstantinos Mitsotakis (1918- )

George Koskotas (1954- )

op de cover van Time from his cell,

a fallen tycoon charges Papandreou

with stealing millions

links: Charilaos Florakis (1914-2005)

rechts: Tzannis Tzannetakis (1927-2010)

Miltiades Evert (1939-2011)

'de bulldozer'

Dimitra Liani (1955- ) Andreas Papandreou (1919-1996)

Kostas Karamanlis (1956- )

Kostas Simitis (1936- )

Kostis Stephanopoulos (1926- )

Georgios Papandreou (1952- )

Dora Bakoyianni (1954- )

Nikolas Sarkozy (1955- )

Angela Merkel (1954- )

links: Panagiotis Pikrammenos(1945- )

rechts: Lukas Papademos (1947- )

links: EveangelosVenizelos (1957- )

rechts: Antonis Samaras (1951- )

Copyright © All Rights Reserved