Midea & Dendra

ouzo on the rocks

apartment, excursions and art historical guide

Peloponnese, Greece

Midea 37°39'04.7"N 22°50'36.1"E (parkeerplaats bij opgraving)

Dendra 37°39'24.9"N 22°49'31.5"E (opgraving zelf)

Midea

 

Je vindt de opgraving van Midea iets ten noorden van Nafplion en kunt een bezoek aan de akropolis goed combineren met een bezoek aan de koepelgraven van Dendra. Het is zelden druk; in de meeste gevallen ben je de enige bezoeker. Het is namelijk een van de minder bekende opgravingen in deze buurt. En daardoor een aanrader voor mensen die niet de platgetreden paden willen bewandelen, maar op zoek zijn naar iets anders. De stilte en de prachtige omgeving zijn adembenemend. Het is om het zo te zeggen, het tegenovergestelde van Mycene, maar toch Myceens. Na een bezoek aan de opgravingen is een afsluiting met het museum van Nafplion zeker op zijn plaats, aangezien daar veel van de hier gevonden voorwerpen worden tentoongesteld.

Er moet uitgegaan worden van een zeker verband tussen de Myceense stad Midea en de nabijgelegen necropolis van Dendra, vandaar dat ze hier samen besproken worden.

Houd er rekening mee dat het gras een halve meter hoog kan staan, want er wordt bezuinigd op de onderhoudskosten.

 

De geschiedenis van Midea

Tijdens de laatste fase van de neolithische periode (5e en 4e millennium v.Chr.) werd deze streek al bewoond, net als vele andere delen van de Peloponnesus, maar de eerste nederzettingen van enige omvang dateren uit de vroeg- en midden-helladische periode (3200-1600 v.Chr.).

Het werd een belangrijke Myceense stad in de laat-helladische periode (1600-1100 v.Chr.) met een hoogtepunt in de 13e eeuw v.Chr.

Aan het einde van de Myceense periode behoorde Midea samen met Mycene en Tiryns tot de drie belangrijke stadstaten die gebouwd zouden zijn met de hulp van cyclopen. Midea was net zo belangrijk als de andere twee steden en werd ook genoemd in de klassieke literatuur. Omdat hier Lineair B-tabletten zijn gevonden, wordt aangenomen dat er een groot paleis moet zijn geweest, maar dat is tot op heden niet gevonden.

Samen met de andere Myceense steden werden banden onderhouden met gebieden in het oosten van het Middellandse Zeegebied, zoals Egypte, Cyprus, Syrië en Palestina. Die banden bestonden voornamelijk uit economische en culturele ‘ruilhandel’.

 

Midea wordt beschouwd als de jongste van de drie, aangezien de muren in de 13e eeuw v.Chr. werden gebouwd. Maar al rond de helft van de daaropvolgende eeuw ging Midea ten onder als gevolg van een aardbeving en werd het, net als Mycene en Tiryns, door de binnenvallende Doriërs verwoest. Toen trad ook hier de periode van verval (tussen 1100 en 900 v.Chr.) in en spreken we van de ‘duistere eeuwen’, waarin niet veel gebeurde rond Midea.

Vermoedelijk werd in de archaïsche periode (7e en 6e eeuw v.Chr.) een heiligdom op de akropolis gebouwd, wat blijkt uit de gevonden votiefgeschenken, zoals terracotta beeldjes, potten en bronzen voorwerpen uit die periode. Na de archaïsche periode woonde er vrijwel niemand meer.

In de periode van het einde van de Romeinse tot en met het begin van de Byzantijnse tijd (4e tot 7e eeuw) vond er sporadisch nog wel bewoning plaats.

 

Midea volgens Pausanias

Toen Pausanias bij Midea kwam, was er nog maar weinig over van het eens zo bekende koninkrijk. Er waren enkel nog wat funderingen van gebouwen. Dus was er voor Pausanias niet veel om over te schrijven; hij bleef er dan ook niet lang en vervolgde zijn weg richting Epidaurus. Hij vertelt nog wel dat Midea een belangrijke plaats in de mythologie inneemt, aangezien een van de forten aan Perseus wordt toegeschreven en dat diens zoon Elektryon hier eens koning was en vader werd van een dochter Alcmene. Zij kreeg haar opvoeding in Midea en zou later de moeder worden van Heracles.

 

De opgraving

De Zweedse archeoloog Axel Persson vond in 1939 in de buurt van het dorpje Dendra een necropolis met enkele nog niet geplunderde schachtgraven en koepelgraven.

Voor wat betreft Midea is er in 1963 enig onderzoek gedaan, maar de echte opgravingen begonnen pas in 1983 als een Zweeds-Griekse onderneming. In vergelijking met Mycene en Tiryns is dat dus zeer recent. De meeste vondsten van Midea en Dendra zijn tentoongesteld in het Archeologisch Museum van Nafplion, maar ook in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene.

De akropolis werd gebouwd op een 268 m hoge heuvel, die midden in de vlakte van Argolida ligt. Dat was dus een zeer strategische positie, want men had een vrij uitzicht over vrijwel de hele vlakte tot aan de zee. Dat betekende dat men het gebied controleerde, wat resulteerde in een grote economische ontwikkeling en bloei gedurende de Myceense periode. Er zijn sporen gevonden van wegen en paden uit die tijd die laten zien dat de steden met elkaar in verbinding stonden.

Het ommuurde fort werd door een steile rots in twee niveaus verdeeld: een hoger gedeelte op de rotsige top van de heuvel en een lager gelegen akropolis op de noordwest helling. Deze akropolis bestond uit een aantal terrassen.

Sterke muren (A) omgeven het complex aan drie kanten. Aan de zuidkant ontbreekt de muur, omdat de steile rotsen daar een natuurlijke bescherming bieden. De grootste stenen werden aan de buiten- en binnenkant van de muur gebruikt, terwijl de ruimte ertussen werd opgevuld met kleinere. De totale muur is 450 m lang en tussen de 5 en 7 m dik, terwijl de hoogte op sommige plekken nog steeds 7 m is. Het hele terrein beslaat zo’n 24.000 m². Opvallend bij de muren is dat de hoeken een uitstulping vertonen, wat op de tekening hierboven is te zien bij (A). Als een klein bastion zorgde die uitstulping voor extra stevigheid.

Wetenschappers gaan ervan uit dat de burcht in de loop van de tijd niet is veranderd of uitgebreid; natuurlijk hebben er wel reparaties plaatsgevonden. Uit de potscherven die zijn gevonden onder de muren, heeft men kunnen vaststellen dat de muren in het midden de 13e eeuw v.Chr. zijn opgetrokken, omstreeks dezelfde tijd als de Leeuwenpoort van Mycene.

De twee monumentale poorten (B en E) liggen precies tegenover elkaar aan de west- en oostkant op voor het fort cruciale punten. Ze waren met elkaar verbonden door een voetpad, direct onder de steile wand tussen het hoge en lage deel. De poort aan de oostkant was de hoofdpoort en leidde naar het hoogste deel waar vermoedelijk het paleis was gesitueerd.

de westpoort (E) Midea van binnenuit

foto © willem van leeuwen

cyclopische muur (A) Midea 12e eeuw v.Chr.

foto © willem van leeuwen

A – cyclopische muur (12e eeuw v.Chr.)

B – oostpoort en interne poort

C – aantal kamers (13e eeuw v.Chr.)

D – pre-Myceens gebouw en andere resten (palace area, 4800 – 1600 v.Chr.)

E – westpoort (met riool aan de buitenzijde van de muur)

F – gebouwen complex (eind 13e eeuw v.Chr.)

G – vluchtpoort (12e eeuw v.Chr.)

H – gebouwen (13 eeuw v.Chr.)

I – megaron (13e en 12e eeuw v.Chr.)

J – Myceens & laat-Romeins gebouw

gebouwen (F) bij de westpoort Midea, 13e eeuw v.Chr.

foto © willem van leeuwen

De drempel van de hoofdingang bestond uit een enorme monoliet met uitsparingen voor de deurposten. Net als in Tiryns leidde een pad naar de hoofdingang, zodat aangenomen wordt dat ook vee binnen de muren gehaald kon worden. Voor de ingang was een klein terras.

Na de hoofdpoort was er direct nog een binnenpoort met daarachter een aantal kamers (C) tegen de buitenmuur aangebouwd. De kamers waren met openingen in de muren met elkaar verbonden en zijn vermoedelijk gebruikt als werkplaatsen.

De zuidwestpoort ligt vlak bij de scheiding tussen het hoge en het lage niveau. Naast de poort ligt een gebouwencomplex uit de 13e eeuw v.Chr. (F). Het gebouw op de zuidwesthoek is het best bewaard gebleven. In een ander gebouw zijn de stenen bases gevonden voor houten zuilen, delen van een riolering met ondergrondse buizen en een vergaarbak. Hier werd gewoond en gewerkt, wat blijkt uit de grote hoeveelheid gevonden aardewerk. Een terracotta figuurtje dat gemaakt is op een draaischijf, stelt vermoedelijk een koningin of een godin voor (zie afbeelding).

Een ander deel van dit complex veronderstelt een werkplaats, omdat er resten zijn gevonden van vaten, gereedschap en scherven van kostbare stenen en sieraden.

de oostpoort (B) Midea van binnenuit

foto © willem van leeuwen

Midea, aardewerk, tweede helft 13e eeuw v.Chr., gevonden bij gebouwen (F) bij westpoort (E)

Archeologisch Museum Nauplion

foto © willem van leeuwen

Midea, terracotta Myceense godin, 13e eeuw v.Chr.

gebouwencomplex (F) bij de westpoort (E)

Archeologisch Museum Nauplion

foto © willem van leeuwen

glazen kraal gevonden bij aardewerk uit 13e eeuw v.Chr.

palace area Midea

(vermoedelijk geïmporteerd uit Egypte)

 

In een kamer zijn verkoolde vijgen gevonden. Maar de belangrijkste vondst in dit deel van de opgraving is een prismavormige zegel met de afbeelding van een leeuw die een stier aanvalt.

Op een van de drie zijden van het voorwerp staat (in Lineair B) de inscriptie o-pa en me-ka-ro-de (megaron) en de eigennaam a-so-ni-jo (Aisonios). Het kan worden vertaald als ‘bijdrage aan het megaron van Aisonios’. De inscriptie is opvallend omdat het de eerste keer is dat het woord ‘megaron’ gebruikt is in het Myceense schrift. Een megaron is een centrale ruimte in een paleis waar een troon stond, een haard was en belangrijke bijeenkomsten werden gehouden. Maar het was ook de voorloper van de Griekse tempel omdat er ook wel dieren werden geofferd.

Bij de poort ligt een geweldig bolwerk van ongeveer 11 m bij 11 m. De toegang tot de poort bestaat uit een pad met treden. In de muur zelf is een kamer geconstrueerd die waarschijnlijk dienst deed als ruimte voor de wachtpost en als opslagplaats. Hier zijn namelijk grote pythoi (potten voor opslag van levensmiddelen) gevonden. De poort en de kamer waren overdekt. De muren van de poort waren voorzien van een beschilderde stuc laag.

Vermeldenswaard is een ander bijzonder bouwkundig kunstwerkje uit de Myceense periode: een vluchtpoortje (syrinx) in de muur aan de westkant (G), dat in tijden van belegering gebruikt kon worden, ofwel om te vluchten, ofwel om de vijand voor de poort in de rug aan te vallen. De vloer van de vluchttunnel is uitgehouwen in de blokken, met traptreden als resultaat; de bovenkant lijkt op de overdekte corridors in Tiryns.

Aan de noordoostkant van het lage terras is nog een gebouwencomplex uit de 13e eeuw v.Chr. gevonden. Het hoofdgebouw is ongeveer 14 m lang en 7,5 m breed. Men gaat ervan uit dat dit een megaron is geweest want in het langgerekte deel zijn de bases van vier zuilen gevonden rondom een haard, alsook een wat kleinere kamer erachter. Het megaron is door een aardbeving aan het einde van de 13e eeuw v.Chr. verwoest (gelijk met Tiryns en Mycene). Vlak daarna is het weer opgebouwd met een centrale colonnade in het midden.

De belangrijkste vondsten uit het megaron en andere gebouwen in de buurt ervan zijn terracotta vaten voor rituele handelingen, votiefbeeldjes, knoppen van zwaarden en dolken gemaakt van waardevolle materialen, sieraden van faience (geglazuurd aardewerk) en zegels met Lineair B-inscriptie. Zie voor een toelichting op het Lineair B het hoofdstuk Mycene.

 

Het paleisgebied op de top van de akropolis was in de Myceense tijd afgescheiden van de rest van de burcht door een steile rotswand. Dat is als gevolg van natuurlijke erosie nauwelijks meer te zien, en wat overgebleven is uit die periode zijn de kamers (C) die hierboven al beschreven zijn.

De resten bij (D) zijn van enkele gebouwen uit verschillende periodes. Zo zijn de vroeg-helladische periode (3e millennium v.Chr.) en de midden-helladische (2000-1600 v.Chr.) hier vertegenwoordigd. Hier is als voorbeeld een bijna complete aardewerk kop (met één oor) gevonden uit de periode 2700-2200 v.Chr.

 

In ditzelfde gebied zijn delen van voorwerpen gevonden uit het laat-neolithicum (5e en 4e millennium v.Chr.) waaruit blijkt dat er op deze heuvel ruim voor de Myceners al sprake moet zijn geweest van bewoning. De uitbreiding naar het lagere deel van de akropolis vond plaats in de midden-helladische periode (2000-1600 v.Chr.).

De eerste archeoloog die, zoals gezegd, hier een spade in de grond zette, was de Zweed Axel Persson. Hij trof een geëgaliseerd stuk grond aan, dat hij onmiddellijk associeerde met het bestaan van een paleis. Hij noemde dit stuk van de akropolis daarom ook ‘palace area’ en als Midea ooit een Myceens paleis heeft gehad, moet het daar hebben gestaan, zo moet hij hebben gedacht. Alle Myceense paleizen waren altijd gesitueerd op de hoogste plek van de heuvel of van de omgeving.

Bij recente opgravingen zijn voorwerpen gevonden die inderdaad op het bestaan van een Myceens paleis kunnen duiden, zoals een glazen amulet met meerkleurige decoratie (waarschijnlijk afkomstig uit Egypte) en fijn aardewerk uit de tweede helft van de 13e eeuw v.Chr.

Midea, kop met één oor, 2200-2000 v.Chr.

gevonden in ‘palace area’ (D)

 

Ongeveer 3 km ten noordwesten van de akropolis van Midea ligt een van de belangrijkste begraafplaatsen uit de Myceense periode: de necropolis van Dendra, vernoemd naar het moderne dorpje waaraan de begraafplaats grenst.

 

In de Myceense beschaving ontstond een dodencultus, in die zin dat er plechtige begrafenissen plaatsvonden. In het begin van de Myceense periode (17e eeuw v.Chr.) werden de overledenen begraven in zogenaamde ‘schachtgraven’, die bestonden uit rechthoekige kuilen van 5 tot 7 m diep, uitgegraven in de grond. Daar werden soms meerdere overledenen in begraven. Het diepste gedeelte werd verstevigd met een bakstenen constructie aan de zijkanten tot op 1 m hoogte van de bodem. De bodem werd bedekt met kiezels. Het graf werd afgedekt door op de bakstenen constructie een stenen dekplaat te plaatsen en vervolgens werd de overgebleven kuil met aarde gevuld. Op het graf stonden vaak grafstenen met reliëfs van jacht- en oorlogstaferelen.

Als koningen waren overleden, kregen zij allerlei voorwerpen mee het graf in, zoals bekers, sieraden en zwaarden. De schachtgraven waren soms bij elkaar geplaatst, waardoor een grafcirkel ontstond zoals in Mycene.

 

Een eeuw later (16e eeuw v.Chr.) kwam het kamergraf in gebruik. Een kamergraf werd uitgehakt in de rotsen (niet per se diep) en vaak voorzien van een dromos, een uitgegraven of uitgehakt pad naar de ingang van het graf.

 

Vanaf de 14e eeuw v.Chr. nemen de Myceners de koepelgraven over van de Minoërs van Kreta. Koepelgraven, die ook wel tholostombes worden genoemd, zijn ronde graven die, zoals de naam al aangeeft, in een koepelvorm zijn gebouwd. De grafruimtes zijn niet bolvormig maar enigszins spits toelopend, zoals de vorm van een bijenkorf.

Er werd een kring van rechthoekige stenen gemaakt, waartegen aan de buitenkant aarde werd gestort. Vervolgens werd er een tweede laag op gelegd, maar dan ‘overkragend’ (iets meer naar binnen met een kleinere cirkel als gevolg). Dan werd er weer aarde toegevoegd, en zo bouwde men door totdat de koepel aan de bovenkant met slechts één steen kon worden afgesloten. Doordat de aarde aan de buitenkant op de stenen drukte ontstond een stevige koepel. De ‘overkragende’ stenen zorgden ervoor dat de koepel niet instortte. Na de begrafenis werd de dromos ook volgestort met aarde, zodat er alleen een heuvel overbleef en het graf zelf niet meer zichtbaar was. De meeste koepelgraven zijn groot en waren bestemd voor de koninklijke familie.

 

In Dendra werden de resten van een nederzetting uit de vroeg-helladische periode en grafheuvels uit het eind van de midden-helladische periode en begin van de laat-helladische periode opgegraven. Zweedse en Griekse archeologen hebben hier een koepelgraf en zestien kamergraven blootgelegd.

De monumentale tholos bestaat uit ruime cirkelvormige grafruimte met kraagstenen muren en een lange dromos geflankeerd door stenen muren.

De andere graven zijn simpeler: (meestal) rechthoekige kamers uitgehakt in de rotsen, met een lange, aflopende dromos. De graven zijn gemaakt in de 15e en 14e eeuw v.Chr. en waren rijkelijk voorzien van giften, hoewel een aantal graven al leeggeroofd was toen ze ontdekt werden. De grafgoederen moesten tonen hoe welgesteld de overledene tijdens zijn leven was geweest.

De tholos was voorzien van waardevolle voorwerpen zoals gouden, zilveren en bronzen kommen en bekers, gouden sieraden, sieraden met edelstenen, bronzen wapens en een collectie zegelstenen met afbeeldingen van dieren. Sommige kamergraven waren ook goed gevuld met waardevolle spullen, zoals goed geconserveerde bronzen bekers en gouden schalen en sieraden.

tholostombe in Dendra gezien vanaf de dromos,

15e of 14e eeuw v.Chr

foto © willem van leeuwen.

dromos naar kamergraf Dendra

foto © willem van leeuwen

Gouden kom, grafkamer Dendra, 15e eeuw v.Chr.

Nationaal Archeologisch Museum Athene

 

Gouden sieraden, grafkamer Dendra, 15e eeuw v.Chr.

Nationaal Archeologisch Museum Athene

De belangrijkste vondst is het bronzen harnas, dat gevonden is in een van de kamergraven. Het is gemaakt van grote bronzen platen, die het hele lichaam van de strijder bedekten. Bij zijn scheenbeschermers en kaakbeschermers – in de buurt van het harnas – is ook een helm gevonden met de tanden van een everzwijn. Uit de andere voorwerpen in het graf blijkt dat het harnas vermoedelijk uit de 15e eeuw v.Chr. stamt.

 

Midea en Dendra in het museum van Nafplion

Het museum van Nafplion bestaat uit twee verdiepingen en de voorwerpen zijn chronologisch gerangschikt. De voorwerpen uit Midea en Dendra zijn tentoongesteld op de eerste verdieping van het gebouw.

In 1960 vond men in Dendra het unieke bronzen harnas met de helm met everzwijntanden. Ze worden hier tentoongesteld. In aanvulling op de collectie van Mycene zijn er bronzen speerpunten en terracotta vazen uit Midea en Dendra te zien.

Naast de terracotta godin uit Tiryns (afgeleid van de phi-beeldjes) is ook haar tegenhanger uit Midea tentoongesteld. De godin uit Midea heeft een buisvormig lichaam, flinke borsten, lange nek en verhoudingsgewijs een klein hoofd (zie afbeelding hierboven). Haar aanwezigheid in Midea laat zien dat men, net als in Mycene en Tiryns, een heiligencultus bezat.

De meest voorkomende kleine terracotta vrouwenfiguurtjes in de 14e en 13e eeuw v.Chr. worden vanwege de vorm ‘phi- en psi-figuurtjes genoemd (Griekse letters Φ en Ψ). Ze zijn zowel in huizen als in graftombes gevonden. Psi-figuren houden hun armen omhoog en phi-figuren hebben hun armen voor het lichaam gevouwen. Een driehoekig hoofd staat op een ronde of maanvormige torso, die wordt gedragen door een cilindrische basis. Details als de kleding, haren, neus en ogen zijn met verf aangebracht. Bolletjes klei stellen de borsten voor. Soms houdt een phi-figuurtje een baby in de armen. Het is een typische vorm van Myceense terracotta kunst, gemaakt door de ambachtslieden die ook keramiek vervaardigden.

 

Midea en Dendra in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene

De vondsten van Midea en Dendra zijn (helaas niet in gelijke mate) verdeeld over de archeologische musea in Athene en Nafplion. Wat in Nafplion ontbreekt, is in Athene te bezichtigen. De zaal met de Myceense stukken in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene is geografisch ingedeeld, dus alle stukken uit Midea en Dendra zijn bij elkaar te vinden.

De kostbare vondsten uit de Myceense begraafplaats van Dendra omvatten onder andere gouden, zilveren en bronzen bekers, gouden sieraden en zegelstenen. Vooral vermeldenswaard is de gouden beker met de voorstelling van verschillende zeedieren, waaronder octopussen.

 

 

bronzen harnas uit Dendra, 15e eeuw v.Chr.

Archeologisch Museum Nauplion

 

gouden kelk uit tholostombe van Dendra, 15 eeuw v.Chr.

Nationaal Archeologisch Museum in Athene

Combinatiemogelijkheden

Aan het begin van dit hoofdstuk zijn al enkele combinatiemogelijkheden genoemd. Een bezoek aan Midea kan eigenlijk niet zonder een bezoek aan Dendra, omdat beide plaatsen in de Myceense periode nauw met elkaar verbonden waren. Om het af te ronden kun je een bezoek brengen aan het Archeologisch Museum van Nafplion, waar een deel van de vondsten is tentoongesteld. Dat zou een aardige combinatie zijn en een compleet beeld schetsen. Houd er rekening mee dat de meeste kleinere opgravingen en musea in Griekenland geopend zijn tussen 09.00 uur en 15.00 uur en op maandag zijn gesloten.

Nafplion zou je nog kunnen afsluiten met een drankje op een van de terrassen op het Plateia Syntagma (voor het museum) of de stadswandeling die beschreven wordt in het hoofdstuk Nafplion.

Copyright © All Rights Reserved