Mycene

Mycene 37°43'50.8"N 22°45'16.3"E (parkeerplaats bij opgraving)

Mycene ligt ongeveer 15 km ten noorden van Argos. Als je met de auto vanuit Argos (of Nauplion) in de richting van Korinthos rijdt, merk je dat de opgraving met grote borden is aangegeven. Het is een van de belangrijkste toeristische trekpleisters van de Peloponnesus. Neem voor een bezoek aan de opgraving en het museum ruim de tijd en houd er rekening mee dat het er behoorlijk druk kan zijn, vooral in de maand mei, omdat dan, naast de gebruikelijke toeristen, heel wat schoolkinderen (in het kader van schoolreisjes) naar dit soort opgravingen komen. De stenen kunnen er glad zijn, wees voorzichtig en draag stevige schoenen.

 

De geschiedenis in vogelvlucht

Uit de scherven van aardewerk die gevonden zijn, kan worden afgeleid dat er al een nederzetting was in de nadagen van de neolithische periode of de vroeg-helladische rond 2700 v.Chr., maar de belangrijkste vondsten zijn van de periode daarna.

De oudste graftombes die zijn blootgelegd dateren van rond 1600 v.Chr. Er stond in die tijd waarschijnlijk een paleis boven op de heuvel. Zo’n burcht werd akropolis (hoogstgelegen deel van de stad) genoemd. Diep onder de ruïnes van het paleis dat momenteel is blootgelegd, zijn delen van muren gevonden van een veel ouder paleis. Ook zijn er graven gevonden die dateren van rond 1510 tot 1460 v.Chr. Ze bevatten zeer kostbare voorwerpen. Daaruit kan worden afgeleid dat de levensstandaard in die tijd zeer hoog moet zijn geweest. Uit die opgegraven voorwerpen blijkt dat er contact moet zijn geweest met Kreta, Egypte en het huidige Turkije, Syrië, Libanon, Israel en Gaza. Grofweg de gebieden vanaf de Zwarte Zee in het noorden, via de oostkant van de Middellandse Zee tot aan Egypte in het zuiden.

Rond 1250 v.Chr. werd begonnen met de bouw van de Leeuwenpoort en de noordelijke poort. Nog geen 20 jaar later brak er brand uit en werd een groot deel van het paleis verwoest; gedeeltes werden herbouwd maar zoals vrijwel alle Griekse steden werd Mycene door de binnentrekkende Doriërs rond 1100 v.Chr. verwoest, waardoor de stad en de cultuur ten onder gingen.

Daarna wordt het een hele tijd stil rond Mycene totdat in de 7e eeuw v.Chr. bovenop de citadel een tempel wordt gebouwd, vermoedelijk ter ere van Hera. De stad werd deels herbouwd maar er woonden maar weinig mensen. Toch deed Mycene met 400 man mee aan de Slag bij Thermopylae tegen de Perzen in 480 v.Chr.

In 468 v.Chr. werd Mycene, net als Tiryns, verslagen en volledig verwoest door Argos.

In de hellenistische tijd (323 tot 146 v.Chr.) werd de muur met polygonale blokken hersteld en werd de tempel voor Hera herbouwd.

 

De geschiedenis volgens Pausanias

Pausanias bezocht Mycene toen hij rond 160 A.D. van Nemea naar Argos trok. De stad was toen helemaal vervallen en verlaten. Er zijn volgens hem een aantal variaties van de stichtingsmythe van Mycene. Om te beginnen vertelde iedereen aan Pausanias dat Perseus de stichter was. Maar in de provincie van Argolida is er niets bekend over de tijd van vóór koning Inachos, dus kan ook worden aangenomen dat Inachos de stichter van Mycene was, of althans de eerste koning. De derde variant is het verhaal dat Phoroneus de eerste koning van Mycene zou zijn geweest. Deze Phoroneus, de zoon van de rivier Inachos, zou scheidsrechter zijn geweest in de strijd tussen Hera en Poseidon over wie de heerser over het gebied zou worden, hetgeen geïnterpreteerd kan worden als degene die hier het meest aanbeden en vereerd zou worden. Hera kwam als winnares uit de strijd en haar kwam dus het land toe. Daarop was Poseidon zo teleurgesteld dat hij het water uit de rivieren in de provincie Argolida terugtrok, met uitzondering van een klein gebied rond Lerna. Aldus werd het een zeer droge streek, behalve in de periode dat het regende. Dat was de realiteit ook nog in de dagen van Pausanias en zelfs in onze tijd staan de rivierbeddingen het grootste deel van het jaar droog. Alleen in februari, als het flink regent, staat er wat water in de rivieren.

Het vaakst horen we echter dat Perseus de stichter van Mycene is geweest. Hij was een van de erfgenamen van Koning Argos, die zelf kleinzoon was van Phoroneus. Meer uitleg hierover in het hoofdstuk 'Argos en Heraion'. Nadat hij per ongeluk zijn vader had gedood met een discus, schaamde hij zich zo erg, dat hij zijn koninkrijk Argos verruilde voor Tiryns. Uiteindelijk zou hij Mycene stichten. Er zijn weer een aantal versies over het ontstaan van Mycene of over de plek waar Perseus de stad stichtte. Toen hij uit Tiryns vertrok, viel op een gegeven ogenblik zijn ‘mykes’ (de knop op het handvat van zijn zwaard) op de grond. Perseus vond dat een goed teken om er een stad te bouwen en noemde de stad ‘Mycene’. Maar de tweede versie vertelt dat ‘mykes’ ook (eetbare) paddenstoel of champignon betekent. Toen Perseus van zijn paard stapte en een paddenstoel plukte omdat hij dorstig was geworden, ontstond er op die plek een bron. In de oudheid was een natuurlijke bron een belangrijke plek; een goede watervoorziening was namelijk van levensbelang voor een stad. Vandaar dat Perseus op de plek van de bron een stad stichtte met de naam ‘Mycene’.

Om het nog wat afwisselender te maken had Homerus het in zijn ‘Odysseus’ over een vrouw met de naam ‘Mykene’, die een dochter zou zijn van koning Inachos. En als laatste versie vertelde Pausanias nog dat er ene ‘Mykeneus’ zou zijn geweest, een zoon van Sparton (net als Argos een kleinzoon van Phoroneus). Hij zou ook de naamgever kunnen zijn geweest, maar Pausanias vond deze laatste versie het minst aannemelijk omdat geen enkele Spartaan ooit zou willen toegeven afstammeling te zijn van iemand uit Mycene.

 

De mythologie & familievloek

Toen Pelops nog een kind was, nodigde zijn vader, de Lydische koning Tantalus, de Olympische goden uit voor een diner. Het Lydische rijk bevond zich in West-Turkije. Om erachter te komen of de goden werkelijk alwetend waren, slachtte Tantalus zijn zoon Pelops en zette de jongen in de vorm van een stoofschotel voor aan zijn gasten. Alle goden behalve Demeter hadden door wat er gebeurd was en weigerden te eten. Demeter had al een stukje van de schouder op en nadat Pelops weer tot leven was gebracht, verontschuldigde zij zich door hem een zilveren schouder te geven en zijn nakomelingen een witte moedervlek op de schouder. Toen hij later verdreven werd door de Trojaanse koning Ilius, vertrok Pelops naar het schiereiland dat zijn naam zou krijgen.

In de provincie Elis (momenteel Ilia) aangekomen wilde hij graag trouwen met Hippodamia, de dochter van koning Oinomaüs. Deze koning had ooit van het orakel te Delphi te horen gekregen dat hij zou worden vermoord door zijn schoonzoon, dus stelde hij alle mogelijke kandidaten ernstig op de proef. Een andere lezing zegt echter dat hijzelf erg verliefd zou zijn geweest op zijn eigen dochter en hij daarom de huwelijkskandidaten ernstig op de proef stelde om uit te vinden of zij Hippodamia wel waard waren. De kandidaten moesten onder andere een wagenrace afleggen. De verliezers werden gedood; de winnaar mocht de dochter trouwen, de oude koning doden en zelf koning worden. Erg waarschijnlijk was het niet dat dat zou gebeuren want Oinomaüs had het op een akkoordje gegooid met de god van de oorlog, Ares, en had bovendien twee onsterfelijke paarden. Daarnaast beschikte hij over Myrtilus, een uitstekende wagenmenner (en zoon van de boodschapper van Zeus, Hermes), die stiekem ook wel interesse had in de dochter.

Pelops kwam vervolgens met Myrtilus overeen dat Oinomaüs de race zou verliezen en dat hij als dank daarvoor de huwelijksnacht mocht doorbrengen met de dochter. Dat sloeg Myrtilus niet af. De koning kwam om bij de race omdat Myrtilus de wagen onklaar had gemaakt, in de hoop die nacht met Hippodamia door te kunnen brengen. Na het huwelijk van Pelops en Hippodamia duwde Pelops echter Myrtilus van de weg af de zee in en hij verdronk. Myrtilus was al vervloekt door Oinomaüs, voor het onklaar maken van de wagen, maar nu vervloekte hij zelf Pelops en diens nakomelingen. Dat was het begin van nog veel meer ellende.

Volgens de Griekse mythologie dateert Mycene van de 14e eeuw v.Chr. en Perseus zou de eerste koning zijn geweest. Als je deze versie volgt is Eurystheus de laatste koning geweest in deze dynastie. Hij was degene die Heracles zijn twaalf opdrachten zou hebben gegeven op het moment dat hij koning van zowel Mycene als Tiryns was. Deze Eurytheus kwam om het leven in Attica en had geen erfgenamen. Daarom gingen de bewoners naar het orakel van Delphi voor advies. Dat resulteerde in het koningschap voor Atreus, de vader van Agamemnon en Menelaus.

Atreus, zelf een zoon van Pelops en Hippodamia, werd dus de koning van Mycene, maar er rustte nog steeds een vloek op de familie en dientengevolge ook op Mycene. De familie en de stad hebben erg te lijden gehad onder deze vervloeking en men kreeg te maken met overspel, wraak, moord en zelfs oorlog.

Atreus en zijn broer Thyestes vermoordden hun halfbroer Chrysippus en werden daarom vanuit Elis verbannen naar Mycene. De vrouw van Atreus werd verliefd op haar zwager Thyestes, die zelf door een list koning van Midea werd. Toen Atreus erachter kwam hoe hij bedrogen werd, doodde hij de drie zonen van Thyestes en nodigde hem uit voor een diner. Tijdens het diner werd Thyestes het vlees van zijn kinderen geserveerd. Thyestes verwekte bij zijn eigen dochter een zoon, Aeghisthus genaamd, die hem later weer zou wreken door Atreus te vermoorden. Aeghisthus werd namelijk de minnaar van Klytemnestra. Zij was de vrouw van Agamemnon, de zoon van Atreus. Klytemnestra kreeg dus een relatie met de moordenaar van haar schoonvader. Klytemnestra en Aeghisthus vermoordden op hun beurt Agamemnon nadat hij was teruggekeerd van de oorlog tegen Troje, maar het stel werd door de kinderen van Agamemnon en Klytemnestra, onder anderen Orestes en Elektra, vermoord. Pas nadat Orestes in Athene was berecht voor deze moordpartij, was de vervloeking opgeheven.

 

Agamemnon en zijn broer Menelaus waren kinderen van Atreus. Agamemnon werd koning van Mycene en Menelaus koning van Sparta. Beide mannen trouwden met twee zusters: Klytemnestra en de mooie Helena. Agamemnon en Klytemnestra kregen vier kinderen, Iphigenie, Elektra en Chrysothemis en Orestes. Helena werd geschaakt door de Trojaanse prins Paris en de familie, belust op wraak, begon een oorlog tegen de familie van Paris. Agamemnon werd legeraanvoerder in de strijd tegen Troje, die volgens de verhalen rond 1170 v.Chr. moet zijn begonnen. De belegering van Troje heeft 10 jaar geduurd, volgens de Ilias, het boek van Homerus dat de laatste 10 dagen ervan beschrijft.

Homerus beschrijft Agamemnon als dapper, maar ook als koel, arrogant en koppig. Hij liet zich regelmatig leiden door zijn eigen grillen en begeerten. Belangrijk onderdeel in de 'Ilias' is zijn ruzie met Achilles. Zoals hiernaast door Daumier afgebeeld waren zowel Agamemnon als Achilles koppig. Agamemnon zou het voor het zeggen hebben en dus boven Achilles staan, maar hij pikte de bruid in van Achilles die zich daardoor zeer verongelijkt voelde en niet meer mee zou doen aan de strijd.

Zijn ruzie met Achilles over een mooie vrouw kostte de Grieken bijna Troje, maar ook in eigen huis maakte Agamemnon weinig vrienden. Zijn vrouw had hem het offeren van hun dochter Iphigenia (voor een gunstige wind bij het uitvaren tegen Troje) niet kunnen vergeven en deelde het bed met een ander, met Aeghisthus, de moordenaar van Agamemnons vader. Na zijn terugkomst uit Troje werd Agamemnon door zijn echtgenote omgebracht. Volgens de ene lezing terwijl hij een bad nam, volgens een andere lezing tijdens een feestmaal aangeboden door Aeghisthus.

 

Orestes was de enige zoon van Agamemnon en Klytemnestra. Jaren na de gewelddadige dood van zijn vader werd Orestes door Apollo teruggestuurd naar Mycene om zijn vader te wreken. Bij de moord op zijn vader was hij namelijk met zijn zusters uit Mycene weggevlucht. Over zijn daad bestaan verschillende lezingen, maar vaststaat dat hij – na overleg met zijn zusters – eerst Aeghisthus doodde en vervolgens zijn moeder. Daarna gijzelde hij voor de zekerheid Helena en haar dochter Hermione. Maar het orakel van Delphi (lees: Apollo) zorgde ervoor dat hij onder begeleiding van Hermes naar Athene kon reizen om daar berecht te worden door een Atheense jury. Apollo was de advocaat van Orestes. Hij werd vrijgesproken en trouwde met Hermione. Hij werd daarop koning van Mycene en Sparta (en later ook van Argos). De voornaamste rol van Orestes ligt in de vrijspraak na de langdurige cyclus van moord en wraakneming die in eerste instantie terugging tot zijn overgrootvader Pelops.

De dynastie eindigt bij de zoon van Orestes, Tisamenos, omdat zijn koninkrijk werd verslagen door de Doriërs, rond 1100 v.Chr.

 

Marmeren Romeinse kopie van Perseus,

origineel rond 450 v.Chr. vermoedelijk door Myron.

British Museum, Londen

terracotta reliëf met Pelops en Hippodamia,

Romeins, 27 v.Chr – 68 AD,

Metropolitan Museum of Art, New York

 

‘Achilles & Agamemnon’, H.V. Daumier uit 1838

Art Institute Chicago

Brian Cox als Agamemnon in ‘Troy’,

een film van Wolfgang Petersen uit 2004

ouzo on the rocks

apartment, excursions and art historical guide

Peloponnese, Greece

in het kort

Tantalus (Lydische koning) had twee kinderen: Pelops en Niobe

Pelops trouwde Hippodamia; zij kregen drie kinderen: Atreus, Thyestes & Chrysippus

Atreus verwekte bij zijn echtgenote Areope twee zonen: Agamemnon & Menelaus

Areope werd tijdens haar huwelijk verliefd op haar zwager Thyestes

Atreus doodde de drie zonen van Thyestes

Thyestes verwekte daarna bij zijn eigen dochter een zoon: Aeghisthus

Klytemnestra & Helena waren zusters, zij trouwden met de broers Agamemnon en Menelaus

Agamemnon & Klytemnestra kregen: Orestes, Iphigenie, Elektra en Chrysothemis

Klytemnestra ging tijdens haar huwelijk een relatie aan met Aeghisthus

Menelaus & Helena kregen: Hermione

Helena had tijdens haar huwelijk een relatie met Paris (uit Troje)

Orestes trouwde later met (zijn nicht) Hermione

Mycene uitzicht zuidwesten (richting Argos) anno 2013

foto © willem van leeuwen

Leven en dood in de stad

De geschiedenis van Mycene en de Myceense cultuur begint met Indo-Europese stammen, die ca. 2100 v.Chr. het huidige Griekenland binnenvielen. Eén van die stammen, de Achaeërs (zo noemde Homerus de Myceners), drong door tot in de Peloponnesos, waar ze verschillende steden stichtten, waaronder Mycene en Tiryns, met kolossale burchten en stevige muren. Maar er zijn ook sporen gevonden die aantonen dat er ruim 700 jaar eerder al sprake was van bewoning.

De bloeitijd van de stad valt in de periode tussen ca. 1400 en 1200 v.Chr., onder een koningshuis van absolute monarchen, wier macht weerspiegeld wordt door rijke archeologische vondsten, die zich momenteel grotendeels in het Nationaal Archeologisch Museum van Athene bevinden.

De oorsprong van de rijkdom, die vrij plotseling ontstond, is niet duidelijk. Als mogelijke oorzaken worden door verschillende wetenschappers genoemd:

  • de komst van een nieuwe bevolking
  • de vestiging van een nieuwe dynastie
  • piratenoperaties tegen Kreta
  • dankbaarheid van Egypte aan de Myceners voor het verdrijven van de Hyksosvolkeren

Maar het kan ook een kwestie van continuïteit of samenloop van omstandigheden zijn: progressieve verrijking door intensivering van handel met in eerste instantie Kreta en de Egeïsche eilanden, waardoor een kleine heersersklasse ontstond. Kort gezegd komt het erop neer dat zowel handel als de oorlogszuchtige aard van de Myceners voor de rijkdom hebben gezorgd.

De Myceners ontwikkelden zo een rijke cultuur, die voornamelijk een verdere ontwikkeling was van de Minoïsche beschaving. Het grote verschil zit in het feit dat er in Mycene meer nadruk ligt op de aanwezigheid van wapens, terwijl de Minoërs leefden in een vreedzame co-existentie, die overigens tegenwoordig betwijfeld wordt. De Minoërs waren voor de strijdlustige Myceners een relatief gemakkelijke prooi omdat bijna de gehele Minoïsche vloot was verwoest na een enorme aardbeving in de buurt van Santorini en de daarmee gepaard gaande vloedgolf.

De machtspositie van Mycene zette zich voort tot in de periode tussen ca. 1400 en 1150 v.Chr., waarna plunderende Doriërs een spoor van vernieling door het Griekse schiereiland trokken en alle centra van de Myceense cultuur verwoestten. Er zijn aanwijzingen dat Mycene al een langere periode van verval kende, doordat de centralisatie en coördinatie van economische en culturele activiteiten wegvielen ten gevolge van het verbreken van de commerciële band met gebieden in het Oosten, waaronder delen van Anatolië en Syrië. De oorzaak hiervan kan opnieuw een samenloop van factoren zijn zoals natuurrampen, hongersnood, oorlogen en epidemieën. Daarna was Mycene nog slechts een kleine, onbelangrijke stad. In 462 v.Chr. werd de stad ingenomen en opnieuw verwoest door het naburige Argos en definitief verlaten.

 

De indrukwekkende koningsburcht op het hoogste deel van de stad (de akropolis) van Mycene werd enkel bewoond door de heersende klasse; werk- en kooplieden woonden tot ver buiten de ommuring. De burcht zelf is omringd door een 900 m lange en gemiddeld 6 m dikke en 12 m hoge muur, opgebouwd uit reusachtige steenblokken van verschillende grootte. De bouw van de muren noemt men ‘polygonaal’ omdat de stenen veelhoekig zijn en omdat de stenen zo groot en zwaar zijn noemt men de muren ook ‘cyclopisch’; alleen cyclopen zouden in staat geweest zijn een dergelijke muur te bouwen. Om (gewenste en ongewenste) bezoekers nog meer te imponeren, zijn deze blokken ter hoogte van de wereldberoemde Leeuwenpoort door steenhouwers fraai rechthoekig afgewerkt, een opmerkelijke prestatie, omdat dit nog zonder ijzeren werktuigen gedaan is.

De Leeuwenpoort dateert in zijn huidige vorm uit de 13e eeuw v.Chr., en vertegenwoordigt het oudst bekende monumentale of architectonische beeldhouwwerk van Europa: twee opgerichte leeuwinnen die tegenover elkaar staan, met hun voorpoten steunend op een altaar, waarop een Minoïsche zuil staat; het is zonder twijfel een symbool voor het koningshuis dat waakt over het welzijn van de stad. De leeuwinnen zijn in het verleden hun koppen kwijtgeraakt: wellicht hebben vandalen ooit op die manier het koningshuis symbolisch willen treffen. Ook kan het zijn dat de koppen van een edelmetaal waren en daarom gestolen zijn.

De poort verschafte toegang tot het centrum van de burcht, waar zich het paleis bevindt, dat in verschillende fasen gebouwd werd tussen 1400 en 1200 v.Chr. De kern ervan bestaat uit een megaron. De aanduiding megaron wordt zowel gebruikt voor de cultische ridderzaal, als voor een groot rechthoekig vertrek in het algemeen. Het megaron van het belangrijkste gebouw op een akropolis is wel meestal de zaal waar de grote haard was en de troon stond van de koning. Het dak van de grote zaal werd ondersteund met vier zuilen. Boven de haard (die zowel als verwarming diende als waarmee gekookt werd) zat een overkapt gat in het dak voor de rook. Het dak steunde op de muren maar werd in het midden (om het rookgat heen) gedragen door vier grote zuilen. Van het hele bouwwerk zijn alleen de vloeren en de bases van de zuilen overgebleven. Het paleis was zowel het economische als het religieuze hart van de stad: het overheidsapparaat (administratie) èn het heiligdom waren hier ondergebracht. Binnen de muren van de burcht, aan de voet van het paleis, liggen verder de resten van particuliere herenhuizen voor de hoogwaardigheidsbekleders.

 

Ouder dan de burcht zelf, en wel uit de 17e en 16e eeuw v.Chr., zijn de zogenaamde schachtgraven: rechthoekige kuilen waarin verscheidene dode leden van de koninklijke familie werden bijgezet. Uit de rijke grafgiften blijken invloeden uit het Nabije Oosten en Kreta. De doden van Mycene kregen sieraden, servieswerk en gouden dodenmaskers, maar ook eten en drinken mee op hun reis naar de onderwereld. De elite van Mycene wilde dat hun graf een spiegel zou zijn van het aards bestaan. Het bekendste dodenmasker is dat van Agamemnon. De grafgiften zijn nu te zien in het Nationaal Archeologisch Museum te Athene. Twee complexen van schachtgraven zijn ontdekt, omgeven door een ronde muur; een ervan ligt binnen, het andere buiten de ommuring. Later werden koningsgraven buiten de burchtmuren in de rotsen uitgehouwen. Uit de 15e en 14e eeuw v.Chr. dateren verscheidene ronde koepelgraven voor de koningen, waaronder de zogenaamde Schatkamer van Atreus de beroemdste en formeel de meest geperfectioneerde is. De koepels zijn telkens gevormd door ringvormig gelegde, elkaar overkragende lagen stenen. Elke laag versmalde de diameter, tot het gewelf met één enkele steen kon worden voltooid. Op soortgelijke wijze werden in de Myceense architectuur ook gangen overwelfd. Voor de rijken waren er kamergraven.

 

De cultuur

De Myceense of laat-helladische beschaving was een belangrijke cultuur in Griekenland, die als opvolger van de Minoïsche beschaving heerste van ca. 1375 tot ca. 1100 v.Chr. Deze belangrijke beschaving werd genoemd naar de Griekse plaats Mycene. In de 14e en 13e eeuw v.Chr. was Mycene namelijk het centrum van deze cultuur, die zich over de gehele Peloponnesos en het zuidelijke deel van het Griekse vasteland uitstrekte. Dat wil echter niet zeggen dat dit gebied staatkundig ook een eenheid vormde.

Voor de ontdekking en de studie van de Myceense cultuur hebben twee amateurs zich bijzonder verdienstelijk gemaakt: de Duitser Heinrich Schliemann, die in 1876 met de opgravingen begon, en de Engelsman Michael Ventris, die in 1952 het schrift van de Myceners, het Lineair B, ontcijferde en aantoonde dat dit schrift een vroege versie van de Griekse taal vertegenwoordigde.

De ontcijfering van het Lineair B heeft niet alleen aangetoond dat de Myceners Grieken waren, maar ook dat hun godsdienst niet zo sterk overeenkwam met de Minoïsche als men voordien steeds had aangenomen. Veel van de bekende Griekse goden werden blijkbaar door de Myceners en niet door de Minoërs vereerd, wat erop lijkt te wijzen dat de Griekse mythen en sagen grotendeels uit de Myceense cultuur stammen. Dat heeft Schliemann ook altijd al gedacht. Zonder enige twijfel is het deze cultuur waarover in de Homerische verhalen wordt verteld.

Omstreeks 1400 v Chr. waren de Myceners goed genoeg georganiseerd om de oversteek naar Kreta te maken en in staat een einde te maken aan de Kretenzische heerschappij in het oosten van het Middellandse Zeegebied.

Halverwege de 12e v.Chr. kwam er vrij abrupt een einde aan de Myceense cultuur, waarschijnlijk door de inval van de Doriërs maar deze gebeurtenis kan niet losgezien worden van vergelijkbare onrust en ondergang in de rest van het Middellandse Zeegebied. In deze periode werden veel steden in het Middellandse Zeegebied (behalve Griekenland ook Kreta, Cyprus, Anatolië, Syrië en Kanaän oftwewel de gehele oostkust van de Middellandse Zee) door o.a. brand verwoest, waardoor men ook wel spreekt van de 'brandcatastrophe'. De oorzaak ervan is omstreden, volgens sommigen was er sprake van een soort volksverhuizing, maar anderen houden het op een nieuwe manier van strijd voeren door huurlingen met ijzeren in plaats van bronzen wapens. In ieder geval waren de nieuwkomers een te sterke partij voor de Myceners. Zij streden niet langer met ouderwetse strijdwagens zoals de Myceners, maar met veel sterkere infanterie-eenheden. Na de vernietiging van de Myceense beschaving viel de materiële cultuur in Griekenland nagenoeg stil, en beleefde het land, tussen 1100 en 900 v.Chr., een periode, die algemeen wordt aangeduid als ‘de duistere eeuwen’ of ´de periode van verval´.

 

Bezoek aan de opgraving

Direct na het einde van de Ottomaanse overheersing zochten de Grieken naar eenwording van de nieuwe staat. Een verbondenheid met het 'antieke' Griekenland was een belangrijk symbool daarvan met als gevolg dat er direct begonnen werd met de bouw van een archeologisch museum en de instelling van nationale een archeologische dienst.

De Griekse Archeologische Dienst begon als eerste met het onderzoeken en in kaart brengen van de oudheden om te voorkomen dat nog meer kostbaarheden dan voorheen het land zouden verlaten. De Turken hadden vele West-Europese ‘toeristen’ namelijk toestemming gegeven om archeologische kunstschatten te exporteren, naar het voorbeeld van Lord Elgin, die een groot deel van de beelden van de Akropolis in Athene tussen 1801 en 1804 verscheept had naar Groot Brittannië. Zijn excuus was altijd dat het een noodzakelijke maatregel zou zijn, omdat anders de schatten daadwerkelijk verloren zouden zijn gegaan.

In 1840 begonnen de Grieken zelf met onderzoek in Mycene en met het uitgraven van de Leeuwenpoort, maar het was de Duitser Heinrich Schliemann die in 1876 daadwerkelijk serieus met het blootleggen van Mycene begon.

Mycene vormt met Olympia een van de belangrijkste trekpleisters voor toeristen van de Peloponnesos. Het is daarom raadzaam om de opgraving ’s morgens zo vroeg mogelijk te bezichtigen, voordat de bussen met toeristen (jaarlijks meer dan 1 miljoen) komen en voordat het te warm wordt. Er zijn weinig plekken met schaduw op het terrein. Zorg voor stevige schoenen want de stenen kunnen nogal glad zijn. En neem tenslotte ook een zaklantaarn mee voor in de donkere gang die naar het geheime waterbekken (cisterne) leidt.

Mycene, huizen, cultuscentrum, muur en huizen buiten de muur

foto © willem van leeuwen

Mycene, schathuis Atreus of graf van Agamemnon anno 2013

foto © willem van leeuwen

Mycene, Leeuwenpoort anno 2013

foto © willem van leeuwen

Mycene, grafcirkel A binnen de ommuring anno 2013

foto © willem van leeuwen

Mycene, uitzicht westkant

foto © willem van leeuwen

De akropolis boven op de heuvel is omringd met omvangrijke, zogenaamde cyclopische, polygonale muren. Binnen de muren bevonden zich het paleis van de koning, de huizen van notabelen, gebouwen voor het militaire garnizoen, de koninklijke schatkamer en de voorraadkamers voor levensmiddelen. Alleen de heersende klasse woonde in de citadel op de heuvel, werklieden en kooplui woonden buiten de muren. Het gaat binnen de muren dus vooral om de resten van het paleis en alle gebouwen die daarbij hoorden.

 

De holle ruimten tussen de grote, cyclopische stenen van de muren werden opgevuld met kleinere stenen en kregen daarmee hun stevigheid. Later werden de stenen in bepaalde vormen gehouwen, zoals te zien is bij de rechthoekige blokken bij de Leeuwenpoort.

In de 12e eeuw v.Chr. werden de muren nog een keer verstevigd en werd er een geheime cisterne betrokken bij het complex.

 

Atreus

Links van de weg naar de opgraving – nog vóór de grote parkeerplaats en ongeveer 600 meter voor de ingang – kom je als eerste langs het ‘Schathuis van Atreus’. Dit wordt ook wel het ‘Graf van Agamemnon’ genoemd. Beide benamingen hebben weinig met de realiteit te maken, maar het was wel degelijk een koninklijk graf. Deze perfecte, zogenaamde bijenkorftombe is het best bewaard gebleven bouwwerk uit de Myceense periode. Het moet, net als de Leeuwenpoort, gebouwd zijn rond 1250 v.Chr. Het heeft ruim 1000 jaar geduurd, dus tot in de Romeinse tijd, voordat men in staat was een grotere koepel te bouwen.

Een enorme geul die de toegang tot de tombe vormt is te zien in de oostzijde van de heuvel. Deze geul wordt ook wel de dromos (straat of weg) genoemd. De dromos is 6 m breed en 36 m lang. De zijkanten zijn opgebouwd uit rechthoekig gehouwen stenen, die allemaal ongeveer even groot zijn. Alleen de onderste laag die dient als fundering, bestaat uit grotere stenen blokken.

Bij de ingang van de tombe is de dromos ongeveer 10,5 m hoog. Boven de ingang is een driehoekige constructie die ervoor zorgt dat het gewicht beter gedragen kan worden. Oorspronkelijk was de gehele façade versierd, maar het grootste deel van deze versiering is verloren gegaan. Aan weerszijden van de ingang hebben groene marmeren of kalkstenen pilaren met zigzaglijnen gestaan. Fragmenten van deze zuilen zijn te zien in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene en in het British Museum te Londen. De ingang van de tombe wordt, onder de driehoek, afgedekt met een enorme stenen plaat van ongeveer 122.000 kilo. Voor de driehoek stond een plaat van rood marmer, dat afkomstig was uit de Mani, een provincie in het zuiden van de Peloponnesos.

De tombe zelf is 14,6 m in doorsnede en 13,5 m hoog en bestaat uit 33 lagen stenen die steeds een beetje ‘overkragend’ zijn neergelegd. Het overstekende deel van de stenen werd aan de binnenkant weggebeiteld zodat een glad oppervlak ontstond. Alleen de bovenste steen die de tombe uiteindelijk afdekt is ooit verwijderd geweest door grafrovers en voor het laatst door de Ottomanen. Het huidige exemplaar is dus niet oorspronkelijk.

Over de tombe werd aarde geplaatst zodat er een heuvel ontstond, nadat de buitenkant van de stenen eerst besmeerd was met een dikke laag klei, om het monument te beschermen tegen vocht en regenwater. De binnenkant van de tombe was versierd met koperen rozetten en spiralen. We kunnen nog steeds de gaten in de stenen zien waar deze hebben gezeten. Ook de bronzen pinnen waarmee de deur was bevestigd zijn nog te zien.

Aan de noordkant bevindt zich een kleine doorgang naar een kleine vierkante ruimte. Niets uit deze kamer heeft de geschiedenis doorstaan. In de oudheid was het graf al leeggeroofd. Toen Pausanias in de 2e eeuw AD hier langskwam, werd hem verteld dat deze toen al lege ruimte het graf moet zijn geweest van Atreus.

 

Schathuis Atreus Mycene

of graf van Agamemnon

Sauskom van rotskristal 1600 – 1550 v.Chr. grafcirkel B Nat. Arch. Museum Athene

Grafcirkel B

Als je het pad naar de citadel verder volgt ligt er, voordat je de Leeuwenpoort bereikt, in de bocht, rechts van het pad vanaf de parkeerplaats, de grafcirkel B. Deze is pas in de periode 1950 - 1952 ontdekt. Er valt weliswaar niet zo heel veel te zien, maar er zijn wel veel belangrijke kostbaarheden gevonden, zoals de schotel of sauskom van rotskristal in de vorm van een eend. Men vermoedt dat deze grafcirkel dateert van 1600 v.Chr.

Daarna komt men meteen, ook rechts van het pad, langs de tombe van Klytemnestra en die van Aeghisthus. Vanwege de bijzondere architectuur denkt men dat deze tombes dateren van rond 1300 v.Chr. Het dak van de tombe van Klytemnestra is hersteld in 1950. Tussen beide tombes is de fundering te zien van een fontein, die in verband wordt gebracht met de bron van Perseus. Vlakbij de tombes zijn ook de restanten van enkele huizen te zien. Hier zijn onder andere de Lineair B tabletten gevonden. Op deze tabletten kom ik later terug. Hier woonden in ieder geval de kooplieden. In één van de huizen moet aromatische olie (parfum) gemaakt zijn voor de export.

 

Leeuwenpoort

De hellende weg naar de Leeuwenpoort was de plek waar eventuele aanvallers gemakkelijk konden worden afgeslagen. De topsteen van de Leeuwenpoort moet ongeveer 20 ton wegen. Ook boven deze poort zien we een driehoekige constructie die ervoor zorgt dat het gewicht beter gedragen kan worden. Deze driehoek is versierd met twee leeuwinnen met hun voorpoten op een altaar. Kijk naar de gaten in de deurposten en latei, waarmee de dubbele poort bevestigd was. Ook de uitsparingen voor de houten dwarsbalk zijn nog goed te zien. Een nis aan de linkerkant was vermoedelijk de plek voor een heiligenbeeld en rechts van de poort was het onderkomen van de wachtpost, maar het kan ook een voorraadkamertje geweest zijn, omdat er resten van graan in gevonden zijn. Ook wordt gesproken over een cultusruimte omdat er botten gevonden zijn. De slijtageplekken in de drempel van de poort door karrenwielen zijn niet te zien omdat die momenteel zijn afgedekt met een houten vlonder.

 

Grafcirkel A

Als we door de Leeuwenpoort het complex zijn binnengegaan, vinden we direct rechts van het hellende pad naar het paleis de grafcirkel A met een doorsnede van 27 meter. Dit is de plek waar Schliemann in 1876 is begonnen met graven. Opmerkelijk is de dubbele stenen kring die oorspronkelijk gevuld was met puin en afgedekt met platen. In de 6 schachtgraven zijn 19 lichamen, in samengetrokken houding, gevonden; ongetwijfeld leden van de heersende familie. Hier zijn het dodenmasker van Agamemnon en veel kostbare sieraden gevonden. De gouden voorwerpen wogen samen ongeveer 14 kilo. De oorspronkelijke stukken zijn te bewonderen in Athene (Nationaal Archeologisch Museum). Op de graven werden grafstèles aangebracht met jachttaferelen. Vanaf de plek van het koninklijk paleis heb je een mooi uitzicht over de omgeving. Voor het paleis zelf heb je wel een beetje fantasie nodig, maar van het megaron zijn de funderingen van de zuilen te zien.

 

Van de aan de noordzijde grenzende ruimte wordt beweerd dat het een badkamer is geweest, wellicht die waar Klytemnestra haar Agamemnon de genadeklap gaf. Verder doorgaand naar het einde van de citadel kom je langs het ‘Huis met de Zuilen’, vernoemd naar de zuilen die het bouwwerk kenmerken. Het vormde vermoedelijk de oostvleugel van het paleis, maar het kan ook een gebouw zijn geweest waar de boekhouder kantoor hield.

Verstopt in een hoek van de achterste muur leidt een doorgang naar een geheime cisterne, een waterbekken dat ervoor zorgde dat de Myceners ten tijde van belegering steeds konden beschikken over vers water. Voor het afdalen (104 treden) naar de cisterne heb je wel een zaklamp nodig. Vervolgens kom je bij de muur in het noorden van de citadel uit.

 

Heinrich Schliemann

Heinrich Schliemann leefde van 6 Januari 1822 tot 26 December 1890. Hij was een Duits zakenman en een (amateur-)pionier in de veldarcheologie. Hij was een navolger van de historische realiteit en zocht de plaatsen zoals genoemd waren in de werken van Homerus. Hij was de ontdekker van Hissarlık, waarvan men nu denkt dat deze locatie het oude Troje betreft, en van de Myceense plaatsen Mycene en Tiryns. Zijn werk steunde hevig op de informatie en gebeurtenissen uit de Ilias van Homerus en Aeneid van Vergilius. Maar Schliemann had natuurlijk ook Pausanias gelezen. Hij wist daardoor eenvoudig de plek te vinden waar hij in Mycene moest beginnen te graven: direct voorbij de Leeuwenpoort, want Pausanias had genoteerd dat Agamemnon binnen de muren van het Myceense bolwerk was begraven.

 

Zijn methode van werken in Hissarlık – hij gebruikte ook dynamiet - wordt bekritiseerd als bijzonder destructief voor significante historische kunstwerken, waaronder de gehele laag waarvan gedacht wordt dat het Troje 1 betrof.

 

Troje is opgebouwd uit 9 lagen, waarbij iedere laag een bepaalde periode van bebouwing aangeeft. Sommige lagen zijn zelf ook weer onderverdeeld. De stad is verschillende malen verwoest en – bovenop de puinhopen – weer opgebouwd. Daardoor ontstonden de lagen. Sommige deskundigen denken dat het Troje uit de 7e laag het Troje uit de Ilias van Homerus is, omdat dit Troje rond 1180 v.Chr. moet zijn verwoest (de traditionele datum van de Trojaanse Oorlog). Anderen zeggen dat het ook mogelijk is dat juist Troje van de 6e laag door de Myceners is verwoest, omdat de Myceense beschaving rond 1180 v.Chr. al zo goed als verdwenen zou zijn. Hedendaagse wetenschappers stellen dat er tussen 1193 en 1184 v.Chr. in ieder geval wel een oorlog moet zijn geweest in Troje met een economische oorzaak. Troje lag op een zeer strategische plek voor de handel (in het noordwesten van het huidige Turkije).

Het Troje waarin Schliemann heeft gegraven, op de onderste laag, is een veel ouder Troje. Zijn opgegraven ‘Schat van Priamus’, is enkele honderden jaren ouder dan hij zelf dacht en kan nooit aan Priamus hebben toebehoord.

Ondanks alle onherstelbare fouten die Schliemann als amateurarcheoloog heeft gemaakt, heeft hij ook de wetenschappelijke studies naar de Myceense cultuur en Troje mogelijk gemaakt.

Samen met Arthur Evans was hij een pionier in de studie van de Egeïsche beschaving in het Bronzen Tijdperk. De twee kenden elkaar; Evans heeft de werkplaatsen van Schliemann bezocht. Schliemann had ook de bedoeling om bij Knossos te gaan graven, maar hij overleed voordat hij die droom kon waarmaken. Evans kocht het stuk grond en trad vervolgens op als leider van het project om Knossos bloot te leggen.

 

Schliemann werd geboren in Neubukow, Mecklenburg-Schwerin in 1822. Zijn vader, Ernst Schliemann, was een protestantse dominee. De familie verhuisde naar Ankershagen in 1823 (momenteel is dat huis het Heinrich Schliemannmuseum). Heinrich’s moeder, Luise Therese Sophie, overleed in 1831, toen Heinrich negen jaar was. Na de dood van zijn moeder werd hij door zijn vader naar een oom gestuurd. Toen hij elf was betaalde zijn vader voor de studie aan het particuliere gymnasium in Neustrelitz.

De interesse voor geschiedenis werd in eerste instantie gestimuleerd door zijn vader, die hem had onderwezen in de Ilias en de Odyssee van Homerus. Later zou Schliemann volhouden dat hij reeds op achtjarige leeftijd had besloten ooit eens Troje te vinden en bloot te leggen. Toen zijn vader echter werd beschuldigd van malversaties met kerkgelden en niet langer het gymnasium voor zijn zoon kon betalen, werd Heinrich gedwongen van school te veranderen. Hij vervolgde zijn schooljaren na 1836 aan een openbare middelbare school. De daaropvolgende armoede van de familie stond een universitaire studie in de weg. In zijn archeologische carrière is er wellicht daarom steeds een verschil geweest tussen zijn opvatting en die van universitair opgeleide professionals.

Toen Heinrich veertien was verliet hij de middelbare school en werd hij leerling bij een kruidenier in Fürstenberg. Een van de verhalen uit deze periode is dat zijn liefde voor Homerus hier is ontstaan doordat hij een dronkaard in de winkel hoorde citeren uit de Ilias.

Heinrich werkte hier vijf jaar, waarna hij verhuisde naar Hamburg en scheepsjongen werd op een stoomboot, de Dorothea, met Venezuela als bestemming. Het schip verging echter op zee in een hevige storm en de overlevenden spoelden aan op het strand in Nederland. Heinrich bleef in Nederland en werd er loopjongen, kantoorklerk en later boekhouder in Amsterdam.

Op 1 maart 1844, 22 jaar oud, trad hij in dienst bij de handelsonderneming B.H. Schröder & Co. Twee jaar later werd hij agent voor deze onderneming in St. Petersburg. In die tijd vertegenwoordigde hij een aantal ondernemingen, waardoor hij onder andere de Russische en Griekse taal leerde. Hij beweerde dat hij een speciale manier had om een taal in zes weken te leren spreken. Zo hield hij zijn dagboeken bij in de taal van het land waar hij verbleef.

Aan het eind van zijn leven was hij, behalve in het Duits, in staat te converseren in het Engels, Frans, Nederlands, Spaans, Portugees, Zweeds, Pools, Italiaans, Grieks, Latijn, Russisch, Arabisch en Turks. Zijn talenknobbel heeft Schliemann enorm geholpen in zijn carrière als zakenman.

In 1850 hoorde Heinrich dat zijn broer was overleden. Deze Ludwig was tijdens zijn leven zeer rijk geworden met grondspeculaties gedurende de ‘gold rush’ in Californië. Heinrich vertrok daarop in 1851 naar Californië en begon een bank in Sacramento die zich bezig hield met de in- en verkoop van (stof)goud. In de eerste zes maanden had hij al een omzet van meer dan één miljoen dollar. Toen zijn lokale concurrent, Rothschild, vertrok hield deze vol dat het om gezondheidsredenen zou zijn, maar in werkelijkheid ging het om de mindere zakelijke resultaten.

In de periode dat Schliemann in Californië verbleef werd het de 31e staat van de V.S. en daarmee verkreeg hij het Amerikaans staatsburgerschap in 1850.

In zijn memoires schrijft Schliemann dat hij – voordat hij in Californië aankwam – in Washington had gedineerd met president Millard Fillmore en zijn familie, maar door deskundigen wordt dat tegengesproken en beweerd dat hij er slechts over gelezen had in de krant. Ook beweerde Schliemann getuige te zijn geweest van een enorme brand in juni 1851 in San Fransisco, maar deze brand had in werkelijkheid plaatsgevonden in mei, terwijl hij in Sacramento verbleef. Hij had er vermoedelijk over gelezen in de Sacramento Daily Journal.

Op 7 april 1852 verkocht hij zijn bedrijf en keerde terug naar Rusland. Daar probeerde hij te leven als een gentleman. Dat bracht hem in contact met Ekatherina Lyschin, de nicht van één van zijn welgestelde vrienden. Vlak daarvoor had hij vernomen dat zijn jeugdliefde, Minna Meincke, getrouwd was. Heinrich en Ekatherina trouwden op 12 oktober 1852. Het huwelijk verliep vanaf het begin niet eenvoudig. Schliemann handelde toen in indigo, een belangrijke, geïmporteerde kleurstof. Hij maakte er behoorlijke winst mee.

Een zoon Sergey werd geboren in 1855 en in 1858 en 1861 werden twee dochters geboren.

In de Krim-oorlog (1854-1856) verdiende hij nog een klein fortuin door de handel in salpeter, zwavel en lood, bestanddelen voor munitie, die hij verkocht aan de Russische overheid.

In 1858 was Schliemann rijk genoeg om te gaan rentenieren; in zijn memoires geeft hij aan dat hij zich toen ten doel had gesteld om Troje bloot te leggen. Door zijn vele reizen was hij vaak van huis en leefde hij langere tijd gescheiden van zijn vrouw en kinderen. In 1866 studeerde hij een maand aan de Sorbonne in Parijs en verhuisde zijn bezittingen van St. Petersburg naar Parijs. Zijn vrouw weigerde hem echter met de kinderen te vergezellen, waarop hij dreigde te zullen scheiden. Na twee van die dreigingen kwam het inderdaad tot een scheiding. Hij claimde gebruik te maken van de echtscheidingswet van Indiana in 1869, en kreeg zijn zin door te liegen over zijn residentie.

 

Schliemann’s eerste interesse in de Griekse oudheid betrof zoals gezegd Troje. Toen hij met de opgraving in Turkije begon, werd gedacht dat Troje bij de plaats Pınarbaşı gesitueerd was, een bergtop aan de zuidkant van de Trojaanse vlakte. Het terrein was eerder al bezocht door archeoloog en lokaal expert Frank Calvert. En het was Calvert die Hissarlık als het echte Troje identificeerde en hem adviseerde te gaan graven op het land dat in eigendom van de familie Calvert was. Ze werden partners.

Schliemann legde een dissertatie in Oudgrieks ‘Ithaka, Peloponnesos en Hissarlık als Troje’ voor aan de Universiteit van Rostock. In 1869 verdiende hij er, bij verstek, zijn doctoraal mee, vanwege zijn topografische analyses van Ithaka, die eigenlijk gewoon vertalingen waren van het werk van een andere auteur die ze had gedistilleerd uit oude poëtische beschrijvingen.

Schliemann had een assistent nodig die verstand had van de Griekse cultuur. Omdat hij begin 1869 was gescheiden van Ekatherina, plaatste hij een contactadvertentie in een krant in Athene. Een vriend, de aartsbisschop van Athene, stelde een familielid van hem voor, de 17-jarige Sophia Angastromenos (1852 – 1932). Schliemann trouwde haar in oktober 1869, ondanks de 30 jaar verschil in leeftijd. Ze kregen later twee kinderen, Andromache en Agamemnon, die hij met tegenzin Orthodox liet dopen, maar gaf de ceremonie een eigen draai door een kopie van de Ilias op het hoofd van de kinderen te leggen en eruit te citeren.

Na Troje, Mycene en Tiryns keerde hij in 1890 met tegenzin terug naar Halle in Saksen om er aan een oorinfectie geopereerd te worden. De artsen verklaarden de operatie geslaagd, maar het binnenste deel van het oor was geïnfecteerd. Tegen het advies van de artsen in reisde hij vervolgens naar Leipzig, Berlijn en Parijs om via Napels naar Athene te gaan. Athene heeft hij niet meer bereikt omdat hij te ziek was om de oversteek van Napels naar Athene te maken. Hij overleed in een hotel in Napels op 26 december 1890. Vrienden hebben ervoor gezorgd dat hij een mausoleum kreeg, ontworpen door Ziller in de vorm van een tempel, op de Eerste Begraafplaats van Athene.

 

Latere archeologen hebben hem regelmatig vervloekt omdat hij in zijn enthousiasme om het oude Troje te vinden op de onderste lagen, de daarboven liggende lagen volledig verwoest heeft en daarmee ook het ‘echte’ Troje.

In een artikel voor de ‘Classical World’ schreef D.F. Easton dat Schliemann niet goed was in het scheiden van feiten en interpretaties en Kenneth W. Harl claimt sarcastisch dat Schliemann’s opgravingen dusdanig ruw werden gedaan dat, wat de Oude Grieken in hun tijd niet hadden kunnen doen, namelijk Troje met geweld vernietigen en de hele stad tot op de grond toe afbreken, Schliemann wèl gelukt was.

Hoewel de vondsten, zowel in Troje als in Mycene, volkomen verkeerd geïnterpreteerd werden door Schliemann en hij onvoorstelbaar veel materiaal vernietigd heeft door zijn amateuristische werkmethoden, waren zijn vondsten wel uniek.

 

Het museum bij de opgraving

Het moderne museum bij de opgraving toont ongeveer 2500 objecten die in de directe omgeving gevonden zijn. De belangrijkste stukken vind je echter in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene. Toch is het museum bij de opgraving een interessante aanvulling op je wandeling over het terrein.

De objecten worden op onderwerp tentoongesteld, maar ook op de plek waar ze gevonden zijn. Zo krijg je dus een compleet beeld als je eerst de opgraving hebt bezocht en daarna in het museum bekijkt wat er op de verschillende plaatsen zoal gevonden is. Het betreft vooral aardewerk en terracotta beeldjes. De vazen staan naast elkaar gerangschikt op ‘ouderdom’. Maar er zijn ook fraaie wandschilderingen te zien en bouwkundige onderdelen die eens het megaron hebben gesierd. Behalve de alledaagse gebruiksvoorwerpen zie je natuurlijk ook de voorwerpen die aan de overledenen werden meegegeven op hun reis naar de onderwereld. Alleen hiervan worden de meest kostbare tentoongesteld in Athene. Er zijn echter ook kopieën van tentoongesteld in Mycene zelf.

Tenslotte is er ook een zaal ingericht met vondsten uit de geometrische, archaïsche en hellenistische periode.

 

Mycene in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene

De centrale zaal van het museum (nummer 4) is volledig ingericht met Myceense stukken en de collectie gaat nog door in een gedeelte van zaal nummer 3. Met de tentoongestelde stukken wordt een prachtig beeld geschetst van de Myceense beschaving, één van de interessantste perioden in de Griekse prehistorie. Fotografen onder de bezoekers zullen echter teleurgesteld zijn in de manier van tentoonstellen. Alle voorwerpen zien we achter (hinderlijk spiegelend) glas en de belichting is verre van optimaal, waardoor schaduwen half over de voorwerpen vallen.

We beginnen in de 16e eeuw v.Chr. en eindigen bij de ondergang van de beschaving in de 11e eeuw v.Chr. De tentoonstelling beslaat dus de gehele laat-helladische tijd. De Myceense beschaving was op zijn hoogtepunt gedurende de 14e en 13e eeuw v.Chr. en vanwege de sociale en politieke organisatie, de monumentale kunst, geavanceerde techniek en de ontwikkeling van communicatie door handel met vrijwel het gehele Middellandse Zeegebied, zeer hoogstaand. Men ontwikkelde het Lineair B, een schrift voor de eerste vorm van de Griekse taal. Naast het middelpunt van deze beschaving Mycene, waren andere belangrijke Myceense steden Tiryns, Argos en Midea, maar ook steden als Orchomenos, Thebe en Athene.

De Myceense collectie omvat een groot aantal werken uit meerdere Myceense nederzettingen en steden in het Egeïsche gebied, maar de indrukwekkendste stukken komen van het vasteland en uit Mycene zelf. De meeste zijn gevonden in tombes en omvatten ondermeer bijzondere voorbeelden van metaalbewerking, sieraden, beelden van steen maar ook van ivoor en delen van wandschilderingen. De Myceense superioriteit op het vasteland is evident in de tentoonstelling, aangezien bijna de helft van de collectie daar vandaan komt.

 

De stukken worden geografisch geordend tentoongesteld en we beginnen met de vondsten uit Mycene zelf. Uit de 16e en 17e eeuw v.Chr. stammen de vondsten uit respectievelijk grafcirkels A en B. Onder de kunstschatten bevinden zich de dodenmaskers van puur goud, die de gezichten bedekten van de overleden Myceense heersers, maar ook fijn bewerkte schalen en bekers van goud en zilver, sieraden zoals gouden kronen, kettingen, ringen en armbanden. Ze laten de rijkdom en de macht van de overledenen goed zien. Het bekendste dodenmasker toont een man met baard met een gelaatsuitdrukking van een heerser en machtig man. Toen Schliemann het masker vond, riep hij dat hij Agamemnon in het gezicht had gezien. De inkepingen onder de oren laten zien dat het masker met touw over het gezicht van de overledene werd vastgemaakt. Ook zijn er vele wapens te zien die de doden meekregen bij hun begrafenis. De belangrijkste onder de bronzen dolken zijn die met afbeeldingen uit het dagelijks leven van de overledene (jacht en oorlog), ingelegd met goud, zilver en niëllo (een legering van zilver, koper en zwavel en soms lood met een diepzwarte kleur).

Heinrich Schliemann

(1822- 1890)

Dodenmasker van Agamemnon, Mycene, grafcirkel A, ca 1500 v.Chr.

Nat. Arch. Museum in Athene

Myceense dolk, ca 1500 v.Chr.

Nat. Arch. Museum Athene

Op een dolk is een afbeelding te zien van zwaar bewapende mannen in gevecht met een leeuw. Het kunstwerk is een goed voorbeeld van ‘het schilderen met metaal’, waarin bladgoud en –zilver in vorm werden geknipt en verwerkt op de bronzen ondergrond door metaallegeringen. De bronsbewerkers, ivoorsnijders en steenhouwers werkten onder de supervisie van paleisofficials en werden geleid door de koning zelf. De ruwe materialen werden geïmporteerd van verre streken, zoals ivoor van de slagtanden van olifanten of hoektanden van nijlpaarden, dieren die niet in Griekenland voorkwamen.

De vondsten uit Mycene zelf bevatten ook opmerkelijke kunstwerken zoals gouden bekers en stenen vazen, de kop van een sfinx (of een godin) van kalksteen met stuclaag en geschilderde details en een ivoren groep van twee godinnen met een jonge god tussen hen in (uit de periode tussen de 15e en 12e eeuw v.Chr.). De sfinx is één van de weinige Myceense monumentale kunstwerken die de geschiedenis heeft overleefd. Het toont een wit gezicht, versierd met helderrode rozetten op de wangen, kin en voorhoofd.

Het andere beeld staat bekend onder de naam ‘De ivoren drie-eenheid’ en stelt twee vrouwen of godinnen voor met ontbloot bovenlijf en een jong persoon, die over hun knieën ligt. De vrouwen delen één mantel.

links: Ivoren drie-eenheid, Mycene, 13e eeuw v.Chr.

Nationaal Archeologisch Museum in Athene

 

rechts: Kop van Myceense sfinx of godin, ca 1250 v.Chr.

Nationaal Archeologisch Museum in Athene

Bijzonder indrukwekkend zijn ook de wandschilderingen uit het cultuurcentrum in Mycene uit de 13e eeuw v.Chr. Ook zijn in deze zaal de vondsten uit de Myceense periode en cultuur te vinden uit o.a. Tiryns, Midea en Dendra.

De wandschildering die bekend is geworden onder de naam ‘De Myceense Koningin’ stelt zeer waarschijnlijk geen koningin maar een godin voor.

 

Haar afstandelijke uitdrukking toont zowel de formele situatie tijdens de begrafenis als de status die zij heeft tussen haar aanbidders. Ze houdt een ketting vast die haar is aangeboden. De bewerkelijke haardracht en de overweldigende hoeveelheid sieraden die zij draagt zijn opmerkelijk.

Excellent Myceens aardewerk werd geëxporteerd naar landen zoals Syrië, Egypte, Cyprus, Italië en Spanje. Hiernaast een afbeelding van een amfoor met een afbeelding van drie grote octopussen die de vaas in feite omarmen. Het is één van de eerste Myceense voorbeelden van de zogenaamde ‘paleisstijl’ met nog duidelijke invloeden van de ‘zeestijl’. We kennen in de geschiedenis van het Grieks aardewerk veel verschillende stijlen. Voor ons zijn in dit geval van belang (in chronologische volgorde):

de patroon- en bloemenstijl (beide 1650 - 1600 v.Chr.)

de zeestijl (rond 1500 v.Chr.)

en de paleisstijl (na 1450 v.Chr.)

In de patroonstijl werden abstracte patronen gebruikt, die waren afgeleid van de spiraalversieringen op de binnenmuren van paleizen. In zowel de bloemenstijl als de zeestijl vierde het naturalisme hoogtij. In de paleisstijl worden de figuren meer gestileerd en de vazen onderscheiden zich van hun voorgangers door drie in plaats van twee oren. De amfoor op de foto behoort tot de paleisstijl vanwege de drie oren hoewel er op de foto slechts twee zichtbaar zijn. De amfoor is afkomstig van de Myceense begraafplaats van Prosymna in Argos en is gemaakt in de 15e eeuw v.Chr.

Myceense godin of koningin, 13e eeuw v.Chr.

Nat. Arch. Museum Athene

 

Myceense amforen, paleisstijl, ca 1450 v.Chr.

Nat. Arch. Museum Athene

foto © willem van leeuwen

Gelijkenis met de Egyptische kunst is goed te zien, bijvoorbeeld in de weergave van het haar (zoals de Egyptische pruiken). De stijl is Daedalisch omdat het gezicht driehoekig is en omgeven door haar dat verdeeld is in horizontale rollen. Grote, amandelvormige ogen en een laag voorhoofd zijn eveneens kenmerken van deze stijl. Het reliëf is ongeveer 40 cm hoog.

Het stelt een vrouw voor (vermoedelijk een godin of een koningin) die een himation (sjaal) over haar hoofd draagt en vasthoudt met haar hand, een houding die met bruiden wordt geassocieerd. Ze draagt eronder een dikke peplos (tuniek) die normaal gesproken met een brede riem in de taille werd gedragen. Ze heeft haar hoofd een fractie naar rechts gedraaid. Op het voorhoofd zien we twee rijen met stilistisch weergegeven krullen.

Men denkt dat het reliëf is gemaakt in een werkplaats van Korinthe, hoewel de invloeden van Kreta duidelijk te zien zijn. Het was gebruikelijk om bepaalde zaken uit andere beschavingen over te nemen, bijvoorbeeld de versieringen op zwaarden, muurschilderingen en beelden en reliëfs. Deze vrouw vertoont grote gelijkenis met afbeeldingen van vrouwen (godinnen en koninginnen) uit Minoïsche hoogtijdagen. De afbeelding moet gemaakt zijn rond 630-620 v.Chr., maar 650 v.Chr. wordt ook genoemd. Het is in Mycene gevonden nadat Schliemann al was overleden (dus in de periode na 1890, maar voor 1897).

kalksteen reliëf “Bruid aan het Raam”, 630-620 v.Chr.

Nationaal Archeologisch Museum in Athene

foto © willem van leeuwen

In de 7e eeuw v.Chr. kwam het leven in Griekenland in een stroomversnelling. Griekse proza en poëzie kwamen tot leven en nieuwe technieken voor het bewerken van ruwe materialen hadden een nieuw type sculptuur tot gevolg. Nieuwe oriëntaalse vormen veranderden het aanzien van de Griekse keramiek. De Oosterse ideeën hadden hun grootste invloed op de Griekse kunst in de 7e eeuw v.Chr., die daarom ook wel oriëntaliserende periode wordt genoemd. Ook Egyptische ideeën hadden invloed, vooral die op het gebied van de beeldhouwkunst, maar de Grieken lijken steeds opnieuw de ontleende vormen aan te passen aan hun eigen gevoel voor proportie, vorm en patroon. De Oosterse ideeën komen het duidelijkst tot uitdrukking in de keramiek (vazen), maar later ook in de - al dan niet monumentale - beeldhouwkunst. Het Myceense beeldhouwwerk van de ‘Bruid aan het Raam’ is hier ook een voorbeeld van.

Om de gehele Myceense collectie in het NAM goed te kunnen bekijken en de bijschriften te kunnen lezen heb je zeker twee uur nodig. Ik heb hier alleen de belangrijkste hoogtepunten genoemd.

 

Daedalus

De beelden van Daedalus zouden volgens zijn tijdgenoten kunnen lopen en kijken, ja zelfs kunnen spreken. In het Oudgrieks betekent ‘Daedalus’ ‘slim vervaardigd’ en de mythologie kent natuurlijk een Daedalus die in het helladische tijdperk moet hebben geleefd. Vele levensechte werken worden aan hem toegeschreven. Zijn figuren hebben open ogen en twee afzonderlijke benen en armen, vrij van het lichaam. Hij wordt ook wel geassocieerd met Egypte vanwege het feit dat zijn beelden eenzelfde ‘rhythmos’ vertoonden als de Egyptische. Als we naar zijn beelden kijken klopt dat wel en hij ontwikkelde een bepaalde stijl met steeds weer dezelfde strak toegepaste regels (canon). Velen zien hem als een Kretenzer, maar anderen denken dat hij afkomstig is uit een koninklijke Atheense familie. Tenslotte kan Daedalus een personificatie zijn van de eerste dagen van de monumentale beeldhouwkunst, waaraan verschillende kunstenaars hebben bijgedragen.

Daedalus was in de mythologie een briljant uitvinder, technicus, bouwmeester en kunstenaar. Socrates (469 – 399 v.Chr.) beweerde een nazaat van hem te zijn. Daedalus’ neefje Talos (of Perdix) die bij hem in de leer kwam, bleek nog slimmer en handiger te zijn dan zijn meester. Hij vond onder andere de zaag uit, geïnspireerd door een vis met stekelige rugvin. Ook maakte hij de eerste passer en de pottenbakkersschijf. Daedalus werd hierop zo jaloers dat hij Talos van de Akropolis afduwde, maar de godin Athena redde de jongen en veranderde hem in een patrijs.

Daedalus werd vanwege zijn misdaad verbannen en vestigde zich op Kreta, waar hij voor koning Minos diverse kunstwerken maakte. Minos nam het niet zo nauw met de eerbied voor de goden, en de koningin moest hiervoor boeten. Hij maakte voor haar een kunstkoe, waarin zij zich kon laten bevruchten door een prachtige witte stier. Resultaat was een gedrocht van een mens met een stierenkop, de minotaurus die leefde van mensenvlees. Om het gedrocht te verbergen ontwierp Daedalus een labyrint waar het verbleef. De schatplichtige Atheners moesten om de negen jaar zeven jongens en zeven meisjes offeren aan het monster. Theseus versloeg, met hulp van Ariadne, het monster uiteindelijk en Daedalus vluchtte met zijn zoon Icarus van Kreta met zelf in elkaar geknutselde vleugels.

Lineair B kleitablet uit Mycene, 14e eeuw v.Chr.

Nat. Arch. Museum Athene

foto © willem van leeuwen

Het Lineair B

Er worden in het NAM enkele tabletten met teksten in het Lineair B tentoongesteld. Meestal zijn het administratieve aantekeningen over de hoeveelheden voorraden en landbouwproducten en over de productie van wollen kleding, wijn, olijven en parfums. Het Lineair B werd in 1900 ontdekt door Arthur Evans in Knossos. Het betreft een archaïsche vorm van de Griekse taal, het zogenaamde Myceens. Lineair B, een in hoofdzaak syllabisch of lettergrepenschrift, is opgebouwd uit 88 tekens die elk symbool staan voor een open lettergreep of een klinker. Naast de syllabische tekens zijn er ook meer dan 100 ideogrammen die onder andere fysieke objecten, maten en gewichten voorstellen.

Rond 2000 v.Chr., tijdens de bloeiperiode van de Kretenzische Minoïsche cultuur, vormde de Peloponnesos het toneel van migraties. De eerste Grieken, die een vroege vorm van Grieks spraken, vielen het vasteland binnen en vermengden zich met de plaatselijke bevolking. Geleidelijk aan vormde zich een Myceense paleisbeschaving die in het begin echter overschaduwd bleef door Kreta. Oorspronkelijk schreef men het Lineair A op het Griekse vasteland, al kwam daar door de Kretenzische invloed langzaam maar zeker verandering in. Er zijn meerdere vigerende theorieën volgens welke het Lineair B uit het Lineair A is geëvolueerd, die ik hier niet behandel.

In ieder geval werd Kreta rond 1450 v.Chr. geteisterd door enkele natuurrampen die haar paleisbeschaving danig heeft verzwakt. De Myceners konden hieruit voordeel halen en verwierven een dominante positie op Kreta en in het Egeïsche gebied.

De schrijvers van de kleitabletten in de Myceense paleisbeschavingen gingen het Lineair B hanteren, omdat ze behoefte hadden aan een schrift dat beter geschikt was om hun eigen taal weer te geven.

Van Pylos tot Knossos, van Mycene tot Tiryns vinden we dezelfde uniformiteit terug.

Lineair B werd niet gebruikt voor literaire doeleinden. Gedichten en verhalen werden mondeling doorgegeven van generatie op generatie. Het schrift werd voornamelijk gebruikt voor economische doeleinden: de Myceense paleisadministratie wilde een taal met een officiële status, met standaardzinnen en administratieve formules.

Het Lineair B verdween aan het einde van de 13e eeuw v.Chr., toen het Middellandse Zeegebied in oproer verkeerde door allerlei migraties en de komst van de Zeevolkeren. De zogenaamde ‘duistere eeuwen’ braken aan. Tezamen met de paleiscultuur verdween het Lineair B. Enkele eeuwen hierna (omstreeks de 8e eeuw v.Chr.) zou het alfabetisch schrift zijn opwachting maken om de Griekse taal opnieuw van een schriftelijke weergave te voorzien.

Wat de Lineair B-tabletten betreft, deed Evans een aantal belangrijke observaties: Het ging ten eerste om een syllabisch schrift. Het aantal tekens (ca. 90) was te groot voor een alfabetisch schrift maar te klein voor een pictografisch schrift. En ten tweede: de inhoud was van zuiver administratieve aard. De tabletten waren registers van de inventarissen van de paleizen. Het thema van elk tablet werd door een pictogram aangegeven (bijvoorbeeld een kar of een slaaf). Er waren ook vele tekens voor telwoorden. Evans slaagde er niet in het schrift te ontcijferen; daarnaast zette hij iedereen op het verkeerde been door te stellen dat het schrift geen Grieks zou betreffen.

Het was de architect Michael Ventris die voor de uiteindelijke ontcijfering zorgde. In 1948 stuurde hij een rondvraag over Lineair B naar onderzoekers over de hele wereld. Hieruit bleek duidelijk dat niemand verwachtte dat Lineair B Grieks zou zijn. De ontdekking kwam door zijn methode met lettergrepen en door de tekens bij elkaar te plaatsen waarvan hij vermoedde dat ze dezelfde klinkers of medeklinkers hadden. Gedurende zijn werk werd steeds duidelijker dat het wel degelijk om een vorm van Grieks ging. Ventris overleed in 1953 bij een auto-ongeluk. De publicatie van zijn ontdekking heeft hij daardoor niet meegemaakt.

De meeste fragmenten in het Lineair B zijn teruggevonden op kleitabletten die aangetroffen werden in paleizen, want het paleis was het administratieve centrum van een Myceense staat. Zo werden in Mycene 73 kleitabletten en in Tiryns 24 kleitabletten gevonden. Voor de datering van de paleisarchieven en van de daarin bewaarde documenten kan men geen beroep doen op de inhoud van de kleitabletten zelf, aangezien ze zelden precieze tijdsaanduidingen bevatten. Met behulp van de archeologie daarentegen kan men de gebouwen zelf dateren, en kan men de tijdens de opgravingen gevonden voorwerpen vergelijken met de voorwerpen die in de kleitabletten genoemd worden. Terwijl er een algemene consensus bestaat dat het Lineair B zijn hoogtepunt kende in de 13de eeuw voor Christus, heerst er nog steeds discussie over de datering van het materiaal dat gevonden werd op de afzonderlijke vindplaatsen, evenals over de tijdsspanne waarin het Lineair B gebruikt werd.

 

De omgeving & combinaties

De opgraving van Mycene ligt ongeveer 15 km ten noorden van Nauplion en Argos. Het moderne Mykines heeft niets met de antieke stad of cultuur te maken, maar is geheel en al gericht op de bezoekende toerist. In dit dorp is het hotel “La Belle Helene” waar Schliemann gelogeerd heeft tijdens zijn werkzaamheden. In de vorige eeuw hebben ook Jean Cocteau, Alec Guinness, Henry Miller, Jean-Paul Sartre en Virginia Woolf er gelogeerd. Om naar de opgraving te gaan vanuit Argos rijden we noordwaarts en slaan in het dorpje Fychti rechtsaf. Na ongeveer 3 km bereiken we de opgraving. Mycene ligt in de vruchtbare vlakte van Argos, op de helling van een heuvel aan de rand van de vlakte. We kunnen hier, vanaf het hoogste punt, waar het koninklijk paleis heeft gestaan, dan ook genieten van een schitterend uitzicht over de vlakte.

 

Wie na Mycene nog niet genoeg heeft van oude stenen, kan nog verder gaan in het nabijgelegen “Heraion” van Argos op ongeveer 4 km ten zuiden van de opgraving van Mycene. Er ligt een wandelpad tussen beide opgravingen. In het Heraion kom je vermoedelijk geen andere toeristen tegen en kun je heerlijk genieten van het schitterende uitzicht en de overweldigende natuur.

 

Iets meer collega-toeristen kom je vermoedelijk tegen in de tegenhanger van Mycene, Tiryns aan de weg tussen Nauplion en Argos. Maar erg druk zal het daar niet zijn. In het museum van Nauplion zijn veel schatten te bewonderen uit de Myceense tijd die gevonden zijn in onder andere Tiryns, Midea en Dendra.

Erg rustig is het ook meestal in Midea en Dendra. De akropolis van Midea ligt eveneens in een fraai landschap en in Dendra zijn bijzondere tholosgraven en schachtgraven te bewonderen. (Zie verder Midea & Dendra en/of Tiryns.)

 

De opgraving van Mycene ligt op 15 km zowel van Nauplion als van Argos. Beide steden zijn een bezoek waard. Nauplion is bij toeristen populair vanwege de smalle straatjes met restaurants en bougainvilles en de Venetiaanse huizen. Er is een mooi groot plein met terrassen en een boulevard met bars en restaurants.

Argos is een typisch Griekse stad met een wekelijkse markt voor de hele regio. In de stad stuit je vrijwel op iedere straathoek op een kleinigheid uit de Griekse Oudheid. Er is aan de zuidkant van Argos een prachtig theater; aan de overkant van de weg vind je de resten van de Romeinse agora.

 

Iets ten noorden van de opgraving van Mycene (richting Korinthos) kom je vlak voor de spoorwegovergang van Dervenakia bij een mogelijkheid om rechtsaf te slaan en achter het stationnetje door te rijden naar het herdenkingsmonument van Kolokotronis, de grote held uit Tripoli in de strijd tegen de Turken. Hier in deze smalle bergpas vonden vele Turken de dood door zijn toedoen. Zijn bijnaam was dan ook de Turken-eter.

Copyright © All Rights Reserved