Olympia

Olympia 37°38'30.3"N 21°37'30.8"E (parkeerplaats bij ingang opgraving)

Olympia is naast de Akropolis van Athene en de tempel van Apollo te Delphi een van de grootste toeristische attracties van heel Griekenland. Een bezoek aan de Peloponnesos betekent in veel gevallen ook een bezoek aan Olympia.

Na de grote bosbranden van 2007 was er bijna geen opgraving meer, maar dankzij de vele vrijwilligers kon de brand nog net op tijd worden bedwongen en de opgraving worden gered. Daardoor is Olympia nog steeds een opmerkelijke plaats, vredig en romantisch, vooral in het voorjaar als de wilde bloemen de ruïnes omgeven en de judasbomen in bloei staan.

 

Ondanks de mooie omgeving zal menig toerist zich hier teleurgesteld realiseren dat hij tussen enkel ruïnes van oude stenen wandelt. In vergelijking met het Parthenon in Athene of met het theater in Epidaurus is Olympia inderdaad niet meer dan een druk bezochte hoop oude stenen met veel geschiedenis en hier en daar een rechtop gezette zuil. Maar laat je door dit alles niet weerhouden; Olympia is zeker een bezoek waard.

Vanuit Argos of Nauplion is Olympia op één dag goed te bezoeken; het vergt wel flink wat reistijd, een enkele reis (160 km) duurt minimaal 2,5 uur. Met de auto vanuit Argos neem je de mooie weg door de bergen (de snelweg levert geen tijdwinst) naar Tripoli en dan naar het noordoosten, richting Pyrgos. ‘Ancient Olympia’ staat duidelijk aangegeven op de bruine borden met gele letters.

 

De geschiedenis volgens Pausanias

In het zeer omvangrijke vijfde deel van Pausanias’ reisgids beschrijft hij Ilia, de provincie in het oosten van de Peloponnesus.

 

Ilia wordt ook wel ‘Elis’ genoemd. Veel Griekse Amerikanen verbinden de naam ‘Elis’ wel eens aan het eilandje bij Manhattan, ‘Ellis Island’. Dat is niet terecht, Ellis Island is afgeleid van Samuel Ellis, degene die het ‘Oyster Island’ van de Engelsen heeft gekocht rond 1770 en het vervolgens zijn eigen naam gaf. De Engelsen hadden eerder het ‘Oester Eiland’ van de Nederlanders overgenomen.

 

De eerste koning van Ilia was Aethlios en een van zijn erfgenamen was Eleios, naar wie de streek vernoemd is. Hij kreeg een zoon, Augeas, en de bewoners zeiden tegen Pausanias dat deze Augeas de zoon van de zon was. Het Griekse woord voor zon is Ilios en het is heel goed mogelijk dat hier Ilios en Eleios door elkaar zijn gehaald. Met andere woorden: de naam van de provincie kan ook afgeleid zijn van het Griekse woord voor zon.

De zoon van Eleios, Augeas, had zoveel schapen en geiten dat zijn gehele koninkrijk onder de poep en viezigheid was bedolven. Daarom vroeg hij Heracles hem te helpen met het schoonmaken. De afspraak was dat deze na de schoonmaak een tiende deel van de veestapel zou krijgen. Heracles bracht een rivier in actie die het gehele land schoon spoelde van de drek, zonder al te veel moeite. Hij had hierbij weinig anders te doen dan de loop van een rivier een beetje te veranderen. Nadat de job geklaard was, weigerde Augeas Heracles te betalen. Zijn zoon zei nog dat Heracles betaald moest worden zoals was afgesproken, maar vader Augeas bleef weigeren en gooide zijn opstandige zoon het paleis uit. Erger nog: Augeas maakte een afspraak met een paar sterke vrienden, de zonen van Aktor, om Heracles te verjagen. In het begin deed Heracles helemaal niets, maar wachtte zijn kans af. Hij lokte ze in een hinderlaag toen de potige jongens wilden deelnemen aan de Spelen van Isthmia. Zij stierven dan ook in Kleonai (in de buurt van Nemea), zonder Isthmia ooit te bereiken. Hun moeder was zo bedroefd en furieus nadat ze gehoord had wat er gebeurd was, dat zij de stad Argos, waar Heracles toen woonde, vroeg om hem uit te leveren, maar dat werd geweigerd. Daarop vroeg ze bij de organisatie van de Spelen van Isthmia om Argos in het vervolg uit te sluiten van de Spelen, maar de organisatie weigerde dat ook. Een ieder zal begrijpen waarom er daarna nooit meer iemand uit Ilia deelnam aan de Spelen van Isthmia.

Velen zullen Heracles en de troep van Augeas herkennen als een van de twaalf opdrachten (zie het onderdeel 'Tiryns') die koning Eurystheus van Mycene hem gaf, maar de bewoners van de provincie Ilia vertelden aan Pausanias dat het nooit een opdracht was geweest, maar dat Augeas zelf aan Heracles had gevraagd om de boel op te ruimen.

 

Olympia en de Olympische Spelen

Over Olympia en de Olympische Spelen verkondigde Pausanias dat Kronos de eerste koning van de hemel was en dat de bewoners in deze regio een plek schiepen om hem te vereren. Vervolgens baarde Kronos’ vrouw Rhea een zoon, Zeus. Zijn moeder stond de kleine Zeus af aan een paar sterke jongens uit de streek rond Ida (op Kreta). Op een dag verhuisden deze mannen met de kleine Zeus naar de Peloponnesos en vestigden zich in de buurt van Ilia. Onder hen bevond zich ook ene Heracles; niet degene die we al hebben leren kennen van het schoonmaken van de Augeasstallen of de 12 opdrachten, maar een ander, afkomstig uit Ida. Deze Heracles organiseerde ter vermaak enige hardloopwedstrijden onder de jongens en de winnaar werd gekroond met een krans van jonge olijventakken, omdat hij de olijf als geschenk had gekregen van Apollo.

Elke vier jaar werden deze wedstrijden gehouden. Sommigen zeggen dat Zeus hier worstelde met zijn vader en won, waardoor hij de troon kon bestijgen. Ook wordt gezegd dat de Spelen werden georganiseerd om deze overwinning van Zeus te vieren.

De naamgever aan de Peloponnesos, Pelops, wordt ook in verband gebracht met het ontstaan van de Spelen. Hij kon Hippodamia trouwen, nadat hij een wedstrijd wagenrennen had gewonnen van zijn aanstaande schoonvader, de Koning van Ilia, door zijn wagen onklaar te laten maken. Anderen zeggen dat hij de wedstrijd kon winnen omdat hij gevleugelde paarden had gekregen van Poseidon. Lees ook over dit onderwerp 'Mycene'. Om zijn overwinning te vieren en de goden te danken organiseerde hij de Spelen.

 

De auteurs van het boek ‘Schatten van Griekenland’, zijn overtuigd van het feit dat Heracles van Tiryns de oprichter was van de Spelen van Olympia of in ieder geval was verbonden aan de oorsprong van de Spelen, nadat zijn opdracht voor Augeas was geklaard. Toen zijn werk volbracht was en Augeas hem weigerde te betalen, vermoordde Heracles hem en stelde de Spelen in om Pelops te eren. Omdat er in die tijd geen plek was voor de deelnemers om in de schaduw te kunnen zitten ging Heracles naar de oorsprong van de Donau en nam daar een wilde olijf mee voor de spelers. Sindsdien worden winnaars geëerd met een krans van jonge olijventakken.

 

En aldus zijn er verschillende verhalen rond het ontstaan van de Olympische Spelen. Algemeen wordt aangenomen dat de eerste Spelen werden gehouden in het jaar 776 v.Chr. maar deze datum is zeer discutabel. Vermoedelijk waren er wel religieuze festiviteiten, maar niets bewijst dat in dat jaar ook daadwerkelijk de eerste Spelen werden georganiseerd. Door de mythologie is het geaccepteerd dat 776 v.Chr. het begin van de Olympische Spelen aangeeft, omdat dit de Spelen waren tussen de goden, die natuurlijk nimmer konden worden vergeten. Sinds 776 v.Chr. zijn wel de resultaten bijgehouden en spreekt men daarom van een ‘historische periode’.

En de historie heeft veel van die resultaten bewaard. Zo is duidelijk dat Apollo ook deelnam aan de Spelen en een bokswedstrijd won tegen Ares en een hardloopwedstrijd won van Hermes. Maar ook Iolaos nam eens deel en won een wedstrijd, met de paarden van zijn oom Heracles.

De eerste wedstrijd in de Olympische Spelen omvatte een hardloopwedstrijd over 192,28 meter. Daarna kwam er uitbreiding: het hardlopen over twee keer deze afstand, een lange afstandsloop van 24 keer deze afstand (bijna 5 km), een vijfkamp en weer later kwamen er boksen en wagenrennen met een vierspan over acht rondes bij. Het geheel van de Spelen was een mannenaangelegenheid; een mix van vriendelijke competitie en broederliefde.

de metope van Heracles met Athena

(Augeas stallen)

Olympia, tempel van Zeus, ca 460 v.Chr.

foto © willem van leeuwen

 

ouzo on the rocks

apartment, excursions and art historical guide

Peloponnese, Greece

Wie in Olympia bij ’t heiligdom van Zeus

daar langs de Alpheios’ stroom door snelheid van zijn voeten

of in de vijfkamp wint, wie worstelt of met vuisten

het allerbeste beukt, of in het hardste nummer,

dat men tienkamp noemt, gaat strijken met de prijs,

die wordt de grote man in ’t oog van stadsgenoten

en krijgt een ereplaats bij wat er ook gebeurt;

de stad zorgt voor zijn brood en schenkt hem kostbaarheden;

won hij de wagenkamp, dan krijgt hij wat hij wil.

Is hij dat alles waard méér dan het mij toekomt?

Verslaat niet onze kunst de kracht van mens en paard?

Hoe dwaas is al die eer! Kan het rechtvaardig zijn

dat boven wijsheid wordt de brute kracht geplaatst?

Goed, laat er onder ’t volk een knappe bokser zijn,

hardloper, worstelaar, of wat als het hoogste geldt:

tienkamper onvervaard – wat heeft de stad daaraan?

Wordt zij daar beter van in orde en bestuur?

‘Aan Pises’ oevers heeft een stadgenoot gewonnen!’

jawel – maar is die winst een voordeel voor de stad?

Nog geen atleet heeft ooit haar schatkamer gespekt!

 

 

vertaling: Evert Straat

Een atleet vertegenwoordigde zijn stad; een overwinning bracht hem en zijn stad prestige. Vaak betekende het voor de winnaar naast de eeuwige roem dagelijks een maaltijd voor de rest van zijn leven, aangeboden door de stad. Een kritische noot hierbij werd al aan het papier toevertrouwd in de 6e eeuw v.Chr. door de filosoof en dichter Xenophanes (zie tekstblok hierboven).

In de hoogtijdagen trokken de Spelen duizenden toeschouwers uit de gehele Griekse wereld. Olympia was ook een plek waar dichters en musici hun kunsten vertoonden aan, in die tijd, het grootst mogelijk publiek. Niet verwonderlijk derhalve dat baron Pierre de Coubertin bij de ‘moderne’ Olympische Spelen ook een onderdeel literatuur opnam. Overigens won hij zelf in 1912 op dat onderdeel een gouden medaille.

 

Herodotes kwam hier ook met enige regelmaat. Bedenk ter vergelijking dat het zoiets moet zijn geweest als een combinatie van de huidige Olympische Spelen met Woodstock en het filmfestival van Cannes, en dat dat alles plaatsvond in het Vaticaan. En dat dan ook nog gecombineerd met vredesbesprekingen van de Verenigde Naties, want omdat er een wapenstilstand in de gehele Helleense wereld gold van drie maanden voor de Spelen tot drie maanden erna, kwamen er ook heel wat politici op af voor vredesbesprekingen.

 

Bij de eerste Spelen was er slechts één scheidsrechter, maar na verloop van tijd waren er meerdere disciplines en waren er meerdere scheidsrechter nodig. In 368 v.Chr. waren er twaalf, een uit elke clan uit de provincie. Later, toen Ilia wat grondgebied had verloren aan Achaia, waren er nog maar acht clans, en dus maar acht scheidsrechters. Maar uiteindelijk waren het er tien. Zo ook in de tijd van Pausanias. Hij schreef dat er vele goede dingen over het oude Griekenland gezegd konden worden, maar de Olympische Spelen waren het meest bijzondere onderdeel daarvan, met name omdat alle vetes en oorlogen werden stopgezet om in Olympia de goden te kunnen eren.

Het heiligdom voor Zeus stamt uit 471 v.Chr. en was gefinancierd door de inwoners van Ilia. Phidias werd 20 jaar later gevraagd om het cultusbeeld te maken. Hij maakte het van goud en ivoor op een houten frame. We noemen zo'n combinatie chryselefantijn, wat is afgeleid van de Griekse woorden voor goud en ivoor. Het is de techniek waarbij de kostbare materialen goud en ivoor aangewend werden voor de vervaardiging van grote cultusbeelden. De lichaamsdelen waren vervaardigd van hout en ivoor, en de kleren en versierselen van goud.

Zeus zat op een troon, hij hield een gouden Nike in zijn rechter hand, droeg een kroon van olijventakken en op zijn staf zat een arend. Het beeld moet in zijn tijd erg populair zijn geweest, omdat er veel kopieën van zijn gemaakt. Een afbeelding ervan komt ook voor op munten uit die tijd.

Pausanias geeft met opzet niet de maten van het enorme beeld, want als hij dat zou doen, zouden zijn lezers zich er een voorstelling van kunnen maken en dat wilde hij niet. Uit andere beschrijvingen weten we echter dat het beeld vermoedelijk twaalf meter hoog was.

Strabo, een oudere collega van Pausanias, vond dat het beeld van Zeus ongehoord groot was, want als Zeus zou opstaan van zijn troon, zou hij zijn hoofd stoten tegen het dak van de tempel. En om het beeld nog eens extra belangrijk te laten lijken, was de vloer van donker marmer uit Elefsina, dat glom van de olie die van het beeld afdroop om het ivoor niet te laten uitdrogen.

Phidias moet ook wel erg gelukkig met zijn kunstwerk zijn geweest, want toen hij ermee klaar was, vroeg hij zich af of Zeus er zelf blij mee zou zijn. Op dat moment sloeg de bliksem in, vlak naast het beeld en maakte een gat in de vloer van de tempel. Dus ging men ervan uit dat Zeus het ook wel goed vond en later is er een koperen pot neergezet op de plek waar de bliksem was ingeslagen. Pausanias heeft zelf de plek én de koperen pot nog gezien.

Hij zag ook dat in beeldengroepen in de tempel de twaalf werken van Heracles werden weergegeven, maar hij noemde ze in een ongebruikelijke volgorde, het kan dus zijn dat zij bijvoorbeeld na een aardbeving in een andere dan de gebruikelijke volgorde zijn hersteld. Tot zo ver Pausanias.

 

De rest van de geschiedenis

In 385 of 394 AD verbood keizer Theodosius I de Spelen, omdat ze onchristelijk waren, maar daarvóór waren de religieuze aspecten al minder belangrijk geworden en waren commercie en diplomatie een steeds grotere rol gaan spelen. Professionals waren deel gaan nemen aan de Spelen, waardoor het Olympische gevoel (strijden voor de eer van Zeus en de roem voor je stad) vervangen werd door goedkoop amusement.

Het was Theodoius II die de Spelen nogmaals verbood in 426 AD en opdracht heeft gegeven om dit soort heiligdommen te vernietigen. Olympia raakte in de vergetelheid.

Het gebied ligt echter precies tussen twee rivieren in: de Kladeos en de Alpheios. Deze rivieren traden buiten hun oevers en legden het hele gebied onder een dikke laag slib. Dat gebeurde in 522 na een aardbeving, en in 551 nog een keer. Dit is de reden dat er veel is teruggevonden in Olympia en de tempels niet leeggeroofd waren of gebruikt als steengroeve. De modder en het slib bedekten het hele gebied en conserveerden als het ware de kostbaarheden voor het nageslacht.

Het was pas in de 20er jaren van de 19e eeuw dat een paar mensen geïnteresseerd raakten in de exacte plek van Olympia. Het was evenwel Richard Chandler die al in 1778 op pure intuïtie de locatie ontdekte. In zijn boek ‘Journey in Greece’ vertelt hij hoe hij toevallig hoorde van het bestaan van ruïnes bij de rivier Alpheios. Hij heeft daar verder niets mee gedaan, en het waren Leake en Dodwell die bruikbare tekeningen en een beschrijving van het gebied maakten in 1827. Deze tekeningen en notities werden gebruikt door een Franse archeoloog die delen van een Byzantijnse kerk blootlegde en verschillende metopen vond, die hij meenam naar Parijs - tot grote ergernis van de Griekse regering. De woedende protesten maakten echter geen indruk op de Fransen en ze hangen nu in het Louvre.

In 1875 kwam de Duitse keizer Wilhelm II met Griekenland overeen dat Duitse archeologen Olympia mochten blootleggen, maar dat alle vondsten in Griekenland zouden blijven. Er werd een speciaal museum voor gemaakt bij de opgraving.

In zes fasen werd er heel wat blootgelegd en gevonden. In 1941 werden de opgravingen vanwege de oorlog gestaakt. En vanaf 1952 wisselen de perioden van opgravingen en bestudering elkaar af.

Thermen in Olympia

foto © willem van leeuwen

De opgraving

A. gymnasium (oefenruimte voor atleten) met propylon (monumentale toegangspoort)

B. het palaestra (oefenruimte voor boksers en worstelaars annex ontmoetingsruimte)

C. het theokoleon (priesterverblijf) met het heroön (monument voor een onbekende held)

D. Byzantijnse kerk en werkplaats van Phidias

E. de heilige weg met de poort naar de altis

F. het Leonidaion (hostel met twee verdiepingen)

G. het bouleuterion (raadsgebouw) en stoa (zuilengalerij)

H. de echohal en de verlaagde doorgang (crypte) naar het stadion

I. het stadion en het hippodroom

J. bases voor standbeelden van Zeus, de schathuizen en het metroön

K. het nymfaeum (fontein) met exedra (halfronde nis) van Herodus Atticus en de tempel van Hera

L. het prytaneion (feestgebouw) en het Philippeion

M. het Peloppeion (heiligdom voor Pelops)

N. de tempel van Zeus

O. de thermen (badruimte)

 

Het opgravingsterrein

De heilige plek in Olympia heet altis; het was in het begin slechts een ommuurd terrein in een prachtige omgeving op de helling van de Kronosheuvel, met alleen een offerplek. Het woord altis is afgeleid van het Griekse woord voor heilig bos, alsos. In de Griekse oudheid waren sommige bomen belangrijk voor rituele handelingen, net als bij de Germanen en de Kelten.

Doordat er op deze omheinde offerplek tot in de 5e eeuw v.Chr. jaar in jaar uit geofferd werd, ontstond er volgens Pausanias door de as die dat opleverde een zeven meter hoge heuvel.

Overigens was de finish van de hardloopwedstrijden bij het altaar voor Zeus. En dit is dan ook volgens Pausanias de reden dat de Spelen aan Zeus zijn verbonden, maar het Peloppeion was er evengoed vlakbij, dus men zou ook winnaar kunnen zijn geworden ter ere van Pelops. In de archaïsche periode (600-480 v.Chr.) werd er een heiligdom voor hem neergezet en om historische redenen - het is namelijk het oudst bekende heiligdom dat aan hem gewijd is - nemen we aan dat dit zijn graf moet zijn geweest. In de 4e eeuw v.Chr. werden er zuilen op het heiligdom geplaatst, waardoor het een meer religieus en monumentaal karakter kreeg.

Rond 600 v.Chr. werd de eerste Dorische tempel hier gebouwd, vermoedelijk voor Hera (of hera en Zeus gezamenlijk, dat is echter niet duidelijk), en aangenomen wordt dat dit onder invloed van Argos gebeurde, omdat de Doriërs zich vooral in Argos gevestigd hadden en zij Hera in bijzondere mate vereerden.

Pausanias beschreef de tempel van Hera als een soort museum met beelden in alle hoeken en nissen. Zo zag hij er in een van de nissen het beeld van ‘de Hermes met de kleine Dionysus’, van Praxiteles.

Een van de andere belangrijke andere vondsten op deze plek was een bronzen schijf met de namen erop van Iphitus van Ilia en Lykourgos uit Sparta. Dit zijn de mannen die waarschijnlijk de eerste Spelen hebben georganiseerd of in ieder geval de regels hebben vastgelegd voor de deelnemers en hellonodikai (scheidsrechters).

 

Als je het opgravingsterrein betreedt zie je meteen rechts het gymnasium (A) met het propylon, oftewel de monumentale toegangspoort. Naast het gymnasium in het lagere deel stroomt de rivier de Kladeos, die verantwoordelijk was voor de vernietiging van het grootste deel ervan. Eigenlijk bestond het gymnasium uit een grote vierkante open ruimte die aan alle zijden omgeven was door een zuilengalerij. Bij slecht weer vonden de trainingen voor hardlopen, verspringen, speerwerpen en discuswerpen plaats in de overdekte colonnades. De fundering van het propylon laat zien dat deze vrijwel hetzelfde is als die in Epidaurus. Alleen de ruïnes van de zuid- en oostzijde van het gymnasium zijn bewaard gebleven. Zij dateren uit de 2e eeuw v.Chr.

In het palaestra (B) vonden ook trainingen plaats, hier vooral voor het worstelen en boksen, maar het gebouw had ook de functie van ontmoetingsplek voor niet-sporters. Deze plek lokt momenteel massa’s toeristen die hier in het voorjaar veel foto’s maken als de Judasbomen in bloei staan en de weer rechtop gezette zuilen mooie plaatjes opleveren.

Pausanias heeft geschreven over het theokoleon, een priesterverblijf dat aan de rand van de altis was gelegen en beschikte over een altaar voor Pan. Hij was god van de bossen en weiden; hij waakte over de vruchtbaarheid van de kudden. Hij was meestal goedgemutst en op zoek naar mooie nimfen, maar kon ook iemand de stuipen op het lijf jagen. ‘Paniek’ en ‘panisch’ zijn van zijn naam afgeleid.

In het gebouw achter het priesterverblijf vonden archeologen een altaar dat aan een onbekende held was gewijd, vandaar dat het de naam van heroön kreeg. De fundering laat zien dat het een rond vertrek heeft gehad in het midden.

 

Vervolgens kom je bij wat wordt genoemd de werkplaats van Phidias (D), die in het midden van de 5e eeuw tot een Byzantijnse basiliek werd verbouwd.

De meeste deskundigen (waaronder de archeoloog E. Kunze, degene die het gebouw pas in 1958 ontdekte, gaan ervan uit dat de werkplaats werd gebouwd met dezelfde afmetingen dezelfde oriëntatie als de naos, zodat Phidias gemakkelijker zou kunnen werken. Er zijn gereedschappen, fragmenten ivoor en andere materialen, gietvormen en platen lood gevonden, alsmede een kom met de inscriptie Φείδιο είμι wat ‘Ik behoor aan Phidias’ betekent. De hier gevonden voorwerpen zijn uitgestald in het museum bij de opgraving. Meer over Phidias in het hoofdstuk 'De Beeldhouwers'.

 

Via de heilige weg met de poort naar de altis (E) komen we bij het Leonaidion (F).

Over de heilige weg liepen de priesters in processie, de scheidsrechters, de atleten en de toen ook al in ruime mate aanwezige bobo’s. Men ging door de poort naar het bouleuterion (G) waar de Olympische eed werd afgelegd. Daar werden ook belangrijke bijeenkomsten gehouden.

Het Leonaidion was een gastenverblijf van twee verdiepingen, gebouwd rond 350 v.Chr. door de zeer welgestelde Leonidas van het eiland Naxos. Hier verbleven overigens alleen de belangrijke gasten van de Spelen. Het gewone publiek kampeerde in de openlucht.

De echohal (H) werd gebouwd in de tijd van Philippus van Macedonië (rond 350 v.Chr.). Zijn naam dankt de hal aan zijn akoestische eigenschappen: een zevenvoudige echo. Aan de noordzijde van de hal, bij de ingang naar het stadion vonden de wedstrijden plaats voor trompetters en omroepers.

 

Duitse archeologen hebben in de periode 1958-1961 het stadion (I) blootgelegd. De baan was 600 voet lang (192 m). Met ‘voet’ wordt hier de voet van Heracles bedoeld, die ooit de lengte zelf had bepaald met zijn eigen voeten. Bij de hardloopwedstrijden liep men van oost naar west, in verband met de ondergaande zon en vanzelfsprekend naar de Zeustempel (of het heiligdom van Pelops).

Op het gehele terrein zijn verschillende bakken gevonden, die voor de bezoekers van de Spelen gevuld waren met drinkwater. Deze zijn echter pas door Herodus Atticus aangelegd in de periode 141-157 AD. Vóór die tijd ontbrak het de 30.000 tot 35.000 toeschouwers aan water, waardoor menigeen het loodje legde als gevolg van uitdroging of een zonnesteek. Aan de zuidkant was een platform waar de scheidsrechters en officials een zitplaats hadden.

Het hippodroom (of paardenrenbaan) lag ten zuiden van het stadion, maar is geheel weggespoeld door de Alpheiosrivier. De lengte bedroeg 1153 m en de paardenrennen die hier werden gehouden stonden bekend als het mooiste onderdeel van de Olympische Spelen.

 

De bases voor de Zeusbeelden (J) droegen eens zestien bronzen beelden van Zeus. Net als bij de moderne Spelen was er in het verleden nog wel eens een atleet die een scheidsrechter probeerde om te kopen of werden er met de tegenstanders afspraken gemaakt. Omkopingen kwamen toen dus ook al voor in de sport, maar als dat aan het licht kwam, bestond de straf ondermeer uit de verplichting om hier een of meerdere beelden te plaatsen (met naam en toenaam). De beelden dienden dus als waarschuwing voor de andere deelnemers. Helaas zijn alleen de bases van de standbeelden bewaard gebleven.

Erg duidelijk werd het gesjoemel toen de Romeinse keizer Nero mee ging doen aan de 211e Spelen. Hij had moeite om zijn paarden onder controle te houden, viel twee keer uit zijn wagen, maar werd uiteindelijk toch uitgeroepen tot winnaar.

Achter de bases, op de verhoging, staan de schathuizen (uit de 6e en 5e eeuw v.Chr.) van de verschillende steden, waarvan die van Sikyon (net als in Delphi) het mooiste was en veel leek op de miniatuuruitvoering van een echte (anten)tempel, met alleen zuilen aan de voorkant, tussen de zijmuren van het voorste deel. Helaas zie je van de schathuizen alleen nog wat omtrekken van funderingen. De verschillende schathuizen zijn geïdentificeerd aan de hand van bouwstijlen, toegepaste technieken en gebruikte materialen. Ze werden gebruikt om de heiligdommen in op te bergen gedurende de drie jaar dat er geen Spelen waren. De minder belangrijke dingen werden ter plekke gemaakt, maar de bijzondere waren geïmporteerd uit de deelnemende steden.

Vóór het schathuis van Sikyon ligt het metroön, een tempel (uit 400-360 v.Chr.) gewijd aan de moeder van de goden, Rhea. In de Romeinse periode stonden hier de beelden van de verschillende keizers.

Vervolgens kom je bij het nymfaeum van Herodus Atticus (K) en de tempel van Hera. Een nymfaeum is een fonteincomplex annex drinkwaterbron; deze was in de vorm van een exedra, een halfronde nis in een muur. Herodus Atticus had diep in de buidel getast om een aquaduct en fontein voor het heiligdom te bouwen. Water was erg belangrijk voor de bezoekers. Hij liet het bouwen in de periode 141-157 AD. Het water werd via het aquaduct aangevoerd over een afstand van ongeveer 3 km. In de exedra waren nissen aangebracht met beelden van belangrijke Romeinse families uit die tijd, waaronder die van hemzelf.

 

De tempel van Hera is een van de oudste tempels in Griekenland. Hij is gebouwd rond 600 v.Chr. en heeft zes Dorische zuilen aan de korte kant en zestien aan de lange zijden. De originele zuilen waren van hout maar werden in de loop van de tijd door stenen exemplaren vervangen, die beter in staat waren de nogal zware dakconstructie te dragen. De meeste zuilen verschillen van elkaar, wat aangeeft dat ze niet allemaal tegelijkertijd zijn vervangen. Ze verschillen in details van het kapiteel, de cannelures en de basisproporties.

De naos, het centrale deel van de tempel, had halve zuilen tegen de binnenmuren aan, waardoor nissen ontstonden. Deze nissen werden gevuld met beeldhouwwerken. Zo moet het beeld ‘Hermes met de kleine Dionysus’ van Praxiteles hier hebben gestaan. Van het cultusbeeld van Hera is alleen het hoofd bewaard gebleven. Het wordt tentoongesteld in het museum, net als het beeld van Praxiteles. Meer over de tempel van Hera in 'De Griekse Tempels'.

 

Ten noordwesten van de Heratempel ligt (L) het feestgebouw (prytaneion) met gastenkamers, een grote ontvangstzaal en keukens, direct ten westen ervan ligt het Philippeion. Over het feestgebouw kan niet veel meer gezegd worden dan dat er feest gevierd werd door de winnaars van de verschillende onderdelen en de officials. Het stamt uit het einde van de 6e eeuw v.Chr. Het is zo vaak verbouwd, dat men niet met zekerheid kan zeggen wat de oorspronkelijke vorm ervan was. Zeker is dat bij het altaar van Hestia (godin van het haardvuur en huiselijk leven) het vuur dag en nacht brandde, zoals dat gebruikelijk was in vele steden en dorpen.

 

Het Philippeion (L) is door Alexander de Grote na de dood van zijn vader, Philippus van Macedonië, in 336 v.Chr. voltooid, terwijl Philippus zelf de opdracht tot de bouw ervan had gegeven. Het ronde gebouw heeft een diameter van 15,24 m en had aan de buitenkant een Ionische colonnade van 18 zuilen. Binnen moeten beelden hebben gestaan van de hele familie, inclusief Alexander. De beeldhouwer was Leochares. Helaas zijn de beelden niet bewaard gebleven.

 

Dan is er ook nog het heiligdom van Pelops (M) uit ongeveer 1100 v.Chr. Het bestond uit een lage, ommuurde ronde heuvel, met heilige bomen. In de 6e eeuw v.Chr. is er een vijfhoekige muur neergezet. De poort was naar de zonsondergang gekeerd. Dit was ook de plek waar een zwarte ram werd geofferd voordat de Spelen begonnen. Net als bij Heracles – die dit voor het eerst deed – werd het vuur voor het offeren van de ram gestookt met hout van een witte populier. Voor deze plechtigheid werd niet alleen de lokale bevolking uitgenodigd, maar ook die van steden en dorpen in de omgeving. En weer later werden de Spelen panhelleens, wat inhoudt dat deelnemers uit heel Griekenland hiernaartoe kwamen.

 

Vervolgens kom je bij de tempel van Zeus (N) in het centrum van de altis. Het huldigen van de Olympische winnaars vond op de laatste dag van de Spelen plaats bij de ingang van de tempel.

De tempel is een voorbeeld van harmonie en symmetrie; een ontwerp van de uit de buurt afkomstige architect Libon. Om het gebouw aanzien te geven staat het op een verhoging, het huis van de oppergod waardig. Sommige wetenschappers zijn echter van mening dat het stylobaat (de verhoogde vloer van de tempel) extra hoog is vanwege het overstromingsgevaar. De tempel lag tenslotte tussen twee rivieren in.

De bouw vond plaats tussen 470 en 457 v.Chr. wat meteen de vraag oproept of er vóór die tijd dan geen tempel van Zeus in zijn eigen heiligdom stond, maar wel al ongeveer 130 jaar eerder een tempel van Hera. Sommige wetenschappers zijn van mening dat er wel degelijk een Zeustempel moet hebben gestaan, maar is afgebroken of in ieder geval verloren gegaan voor de bouw van de nieuwe tempel. Anderen stellen dat er inderdaad geen andere tempel was, maar dat de Heratempel aan zowel Hera als aan Zeus gewijd was, wat af te leiden zou zijn uit het feit dat beiden een beeld in de naos van die tempel hadden.

Dit is een van de eerste tempels waarbij men trachtte iets te doen met optische correcties en dus werden de hoekzuilen aan de bovenkant iets naar binnen geplaatst, terwijl de andere vier aan de voorkant perfect verticaal werden geplaatst, waardoor een soort opwaartse druk werd gesuggereerd. Dit werd nog eens versterkt door de drie licht bollende treden. De perfectie in de toepassing van entasis en curvatuur vinden we in het Parthenon in Athene en ook bij de Zeustempel in Nemea (zie De Griekse Tempels).

De tempel van Zeus is Dorisch (6 x 13) met zuilen van 10,45 m hoog en 2.2 m dik aan de onderkant. De metopen waren oorspronkelijk niet versierd, totdat Mummius de Achaiers had verslagen in 146 v.Chr. en er 21 gouden schilden ophing. Meer over Mummius in het hoofdstuk Corinthe.

De beelden uit de frontons worden in het museum tentoongesteld. De binnenkant van het voorste deel van de tempel had wel versierde metopen. Hierop werden de twaalf opdrachten van Heracles afgebeeld.

Theodosius II gaf in 426 AD de opdracht om alle heidense tempels te verwoesten, dus ook deze. Een eeuw later gingen de nog rechtop staande restanten verloren door twee zeer krachtige aardbevingen. Het cultusbeeld was toen al verdwenen. In de Romeinse periode had Caligula (37-41 AD) het beeld naar Rome willen halen en het hoofd van Zeus vervangen door dat van hemzelf. Dat lukte hem echter niet, want toen zijn mannen de tempel betraden om het mee te nemen, begon het beeld hard te bulderen van het lachen. De mannen namen daarop de benen en zijn nooit teruggekomen.

In 395 AD is het beeld wel daadwerkelijk uit de tempel gehaald en overgebracht naar Constantinopel alwaar het in 475 AD in een grote brand verloren is gegaan.

Tenslotte kun je (voordat je naar het museum gaat) teruggaan naar het Griekse badhuis (L) en het Romeinse Kladeos badhuis. Ze bevatten afzonderlijke baden maar ook een groot gemeenschappelijk bad.

 

Het museum

Neem even de tijd voor het museum, want het is absoluut de moeite waard. Dit zijn de belangrijkste werken, die je eigenlijk niet mag missen:

1. het oostelijk fronton (Zeus tussen Pelops en Oinomaus in)

2. het westelijk fronton (met Apollo in het midden)

3. de metopen met de twaalf werken van Heracles

4. de Hermes met de kleine Dionysus van Praxiteles

5. de Zeus en de kleine Ganymedes

6. het Nike-beeld van Painonios

7. de helm van Miltiades (na een overwinning op de Perzen)

 

In de vestibule zijn maquettes te zien van Olympia in de oudheid. De zalen zijn verder chronologisch en thematisch georganiseerd, dus de eerste zaal laat de vondsten zien uit de prehistorie, de geometrische periode (900 - 700 v.Chr.) en de archaïsche (600 - 480 v.Chr.). Belangrijkste onderdelen hier zijn een bronzen paard en een helm met tanden van een wild zwijn. Het paard laat de overgang zien van geometrisch naar archaïsch. De vorm is al bijna realistisch en doet niet meer denken aan de gestileerde afbeeldingen op de amfora’s uit de geometrische periode.

De tweede zaal laat vondsten zien uit de geometrische en de archaïsche periode en er worden wapens tentoongesteld, inclusief de helm van Miltiades en het bronzen beeld van een vrouw met vleugels en een stenen kop van Hera.

Verder zien we in het museum de reconstructies van de frontons en verschillende schathuizen. Ook zijn er versieringen tentoongesteld van de randen driepoten en potten. De motieven (leeuwen, griffioenen en sirenes) tonen de invloed van het Oosten (oriëntaliserende periode, 730-590 v.Chr.).

Hierboven zijn enkele bronzen beeldjes en versieringen uit Olympia afgebeeld. De krijger helemaal links dateert uit 650 v.Chr. net als de wagenmenner naast hem. Vooral de krijger links vertoont nog geometrische trekken zoals het driehoekige bovenlijf en dunne ledematen.

Na verloop van tijd werden de beeldjes minder tweedimensionaal en kregen de verschillende onderdelen meer vorm. De sirenekop in het midden is een versiering voor een ketel en dateert van begin 7e eeuw v.Chr. Deze versieringen noemt men ook wel protomen, dierlijke of mythologische figuren die bevestigd waren aan de hals of rand van kelken en ketels. De meeste keken naar buiten en zijn voorbeelden van de oriëntaliserende stijl; met name de bolle vorm van de sirenekop is oosters. De figuren zijn massief (gegoten) brons.

 

Je ziet verder de terracotta beeldengroep van ‘de Zeus met de kleine Ganymedes’ die gevonden is in het stadion, maar vermoedelijk was het beeld het centrale akroterion van een gebouw in de altis en waarschijnlijk is het gemaakt in Corinthe. De haan die de kleine Ganymedes vasthoudt was een symbool voor liefde in het oude Griekenland en toont de liefde van de god voor de wonderschone jongen. Tegelijkertijd kan het beeld gezien worden als een legalisatie van de bij de Grieken gebruikelijke liefde van een oude(re) man voor een jongeling. In zijn jonge jaren was Ganymedes een buitengewoon knappe jongen. Zeus zelf, die niet alleen oog had voor vrouwelijk schoon, veranderde zich in een adelaar en ontvoerde de jongen. Zeus beminde de jongen en schonk hem onsterfelijkheid en de eeuwige jeugd. Hij stelde hem aan als wijnschenker van de goden op de Olympus. Ganymedes wordt later ook genoemd als de vader van Priamus, de koning van Troje tijdens de Trojaanse oorlog. Hij was dus de grootvader van Paris en Hector.

 

Mannenliefde

Homoseksualiteit kwam ook voor in de Griekse oudheid. Het volgende stukje komt uit 'Love, Sex & Tragedy, how the ancient world shapes our lives' van Simon Goldhill, in 2004 uitgegeven bij University of Chicago Press.

 

In de VS werden in 1990 in een proces voor gelijke rechten door de overheid Plato en Aristoteles aangehaald om aan te geven dat homoseksualiteit schade zou toebrengen aan de ‘familie’. Ter verdediging werd toen met succes aangevoerd dat de Griekse samenleving heel anders aankeek tegen homoseksualiteit en er niet eens sprake zou zijn van in de vorm zoals we dat in de moderne tijd kennen.

De vrije Griek (getrouwd of niet) kon verlangen naar iemand van zijn eigen geslacht en dat leidde niet tot schaamte of afkeuren. Er is vrijwel altijd sprake van sympathie voor iemand die liefheeft. Socrates, een getrouwd man, wordt vaak afgeschilderd als een oude man, in een gymnasium op zoek naar mooie jongens. Zo’n relatie tussen een oudere man (erastes) en een jongen zonder baard (erosmenos) werd in het Oude Griekenland als normaal gezien. Het gaat om jongens zonder baard; als de baardgroei begint, zijn zij geen object van verlangen meer. Liefde tussen twee mannen met baarden werd belachelijk gemaakt en was ‘not done’. Er is altijd sprake van dominantie van de oudere man over de jongere en zodra de jongen een baard krijgt, gaat hij zelf op zoek.

Eros dripped from his eyes werd over Socrates geschreven toen hij in een gymnasium de schoonheid van een jongeling bekeek. Eros moest echter onder controle gehouden zien te worden. Tijdens de hofmakerij werd veel tijd samen doorgebracht maar meestal had dat een onderwijs- of opleidingsaspect; de oude man droeg informatie over op basis van zijn eigen ervaringen. De mannenliefde gaat vooral over zelfcontrole en over hoe een mooie jongen een goede burger wordt.

 

Hier liggen ook de gereedschappen van Phidias en de beroemde Nike (godin van de overwinning), gemaakt door Paionios. Dit beeld is van belang in de ontwikkeling van de beeldhouwkunst. De beeldhouwer gaat namelijk verder met de zogenaamde ‘wet T-shirt’-techniek van Phidias. Hier zie je hoe de kleding strak om het lichaam wordt geblazen door de storm of door de snelheid waarmee zij aangevlogen komt. Het vakmanschap laat als het ware transparante kleding zien en de vormen zijn zeer realistisch. De limiet voor het perfect weergeven van de realiteit ligt hier in het materiaal en niet in de kunstenaar. Het beeld wordt beschouwd als een van de hoogtepunten van de klassieke stijl (450 - 400 v.Chr.). De beeldhouwer Paionios kwam uit Chalkidiki in het noorden van Griekenland en signeerde zijn werk. Bovendien valt er uit de inscripties op te maken dat het gefinancierd was door de bewoners van de provincie Messinia, na een overwinning op Sparta in 425 v.Chr. De Nike stond oorspronkelijk op een zuil van twaalf driehoekige trommels, bij elkaar op een hoogte van ongeveer 9 m en leunde iets voorover met het gewicht op haar linkerbeen.

Helaas zijn de uitgestrekte vleugels verloren gegaan. Door het omhoog houden van de linkerarm is haar linkerborst ontbloot, net als een deel van haar linkerbeen.

Door het voorover laten hellen van het beeld geeft de beeldhouwer een gevoel van doorgaande beweging. En de beweging naar voren wordt subtiel gecompenseerd door de naar achter wapperende kleding en de vleugels. Hier spreekt kracht uit.

In een andere zaal zie je nog meer uit de klassieke periode, zoals het hoofd van Aphrodite (van Praxiteles), het hoofd van een atleet en het hoofd van Alexander de Grote, een kopie van een beeld van een andere bekende beeldhouwer, Lysippus.

Verder vind je in het museum de beelden uit de Romeinse periode. Erg indrukwekkend zijn die uit het Metroön. Er is een prachtige Antinoös (de erosmenos van Hadrianus) en beelden van de familieleden van Herodus Atticus uit het nymfaeum. Ook is er een zaal geheel gewijd aan de Olympische Spelen zelf.

Het beeld de Hermes en de kleine Dionysus heeft ook een eigen zaal. Het beeld wordt toegeschreven aan Praxiteles (op latere leeftijd). Meer over Praxiteles en het beeld van Hermes in het hoofdstuk 'De Griekse Beeldhouwers'.

 

Na de verschrikkelijke ervaring van de oorlogen tegen de Perzen begint het leven in Athene in het begin van de 5e eeuw v.Chr. opnieuw, maar nu met de kracht die geput wordt uit de overwinning. Het is ook het begin van een nieuwe creatieve periode.

De stijfheid van de archaïsche beelden maakt plaats voor een evenwichtige maar levendige beweging. De alom aanwezige archaïsche glimlach verdwijnt ook en er verschijnt een ernstige uitdrukking, die introspectie en reflectie toont. De overgangsperiode (480-450 v.Chr.) wordt ook wel de ‘ernstige stijl’ genoemd en het is de opmaat naar de meesterwerken uit de klassieke periode daarna (450-400 v.Chr.).

 

De centrale hal is gewijd aan de Zeustempel.

Soms lijkt het erop alsof het ontwerp van de beeldengroepen uit de frontons door een schilder is gemaakt aangezien er verschillende aspecten in de groep zitten. Bovendien lijken er bij het beeldhouwen verschillende technieken te zijn gebruikt. De beeldengroep in het oostelijk fronton is kennelijk niet gemaakt door een en dezelfde beeldhouwer. Meerdere mensen moeten hieraan gewerkt hebben. Het is onduidelijk waar de beeldhouwers vandaan kwamen. Pausanias was van mening dat het oostelijk fronton was versierd door Paionios (de beeldhouwer van de Niké) en het westelijk door Alkamenes, maar dat is een foutje, want uit recent onderzoek is gebleken dat de beelden gemaakt moeten zijn toen beide beeldhouwers nog kinderen waren. Omdat de architect van de tempel uit de buurt kwam, ligt het voor de hand dat hij ook beeldhouwers uit de buurt uitnodigde voor de frontons.

Palaestra met Judasbomen, Olympia

foto © willem vasn leeuwen

Echohal (350 v.Chr.), Olympia

foto © willem van leeuwen

‘Crypte naar het stadion’, 3e eeuw v.Chr. Olympia

foto © willem van leeuwen

werkplaats van Phidias, Olympia

Byzantijnse basiliek

foto © willem van leeuwen

Het Philippeion, 336 v.Chr. Olympia

foto © willem van leeuwen

Tempel van Zeus, Olympia

foto © willem van leeuwen

Hieronder het terracotta beeld

Zeus met de kleine Ganymedes

480-470 v.Chr.

Museum Olympia

foto © willem van leeuwen

 

Roofde niet Zeus d´alwijze,

den knaap Ganymedes, de blonde?

Schoon als hij was schonk hij wijn

in de zalen der eeuwige goden

Schept´ uit het gouden mengvat,

door allen geëerd en geprezen

Schonk in de bekers,

een wonder om aan te zien,

bloedrode nectar.

 

Homerus, 7e eeuw v.Chr.

vertaling A.W. Timmerman

Nike van Paionios, ca. 421 v.Chr.

museum Olympia

foto © willem van leeuwen

Het oostelijk fronton

Het oostelijk fronton laat de mythe over de race tussen Pelops en Oinomaüs zien (zie voor een uitleg het hoofdstuk Mycene). De compositie bestaat uit 21 beelden die verdeeld zijn over het gehele fronton. Hier wordt het moment vlak voor de race getoond. In het midden staat Zeus, de meester in zijn eigen heiligdom en de onzichtbare rechter met een bliksemschicht in zijn hand. Links van Zeus (voor de kijkers rechts) staat Oinomaüs met helm en een speer in zijn linkerhand. Naast hem staat zijn echtgenote Sterope met een arm voor haar middel; de ander houdt zij onder haar kin, vermoedelijk als een gebaar van bezorgdheid over de afloop van de wedstrijd. Myrtilus (wagenmenner van Oinomaüs en zoon van Hermes) knielt voor haar. Vervolgens zie je de vierspan, klaar voor de start. Daarnaast zit nog een knielend persoon, waarvan sommigen zeggen dat dit juist Myrtilus is en de knielende man voor Sterope zou in dat geval slechts een stalknecht zijn. In de hoeken zien we nog Klytios of Amynthaos, de ziener en helemaal in de hoek de personificatie van de rivier de Alpheios.

Rechts van Zeus staat Pelops met de helm op zijn hoofd en een speer in zijn rechterhand. Hij is naakt en zijn lichaam is gespannen. Naast hem staat Hippodamia, de vrouw van zijn dromen. Zij verschuift haar kleding iets met haar linkerhand, dat opgevat kan worden als een gebaar van ‘onthullen’, bekend uit afbeeldingen van huwelijksceremonies. Daarna komt het team en de vierspan van Pelops en een opmerkelijke oude man die als enige naar het centrum van het geheel kijkt en naar de overwinnaar van het verhaal. Ook dit kan de ziener Klytios of Amynthaos zijn. Hij is in diepe concentratie en weet al wie er gaat winnen. Zijn linkerhand rust op een staf, terwijl zijn rechter zijn hoofd ondersteunt.

Daarnaast zit een jongen die een beetje met zijn tenen speelt en neerkijkt op de toeschouwers en als laatste zie je de personificatie van de andere rivier van Olympia, de Kladeos.

Door het geheel te laten afspelen tussen de twee rivieren vertelt de beeldhouwer dat de wedstrijd tussen Pelops en Oinomaüs feitelijk in Olympia plaatsvond. Hij speelt gemakkelijk met de ruimte in het fronton, waardoor alle spelers van het verhaal afgebeeld konden worden. Door het plaatsen van de wagenmenner achter de vierspan, weet je dat de wedstrijd onmiddellijk zal beginnen en de gezichtsuitdrukkingen zijn ernstig; die van de overwinnaar is er een van ongeduld.

Wetenschappers verschillen nog steeds van mening over de plaatsen van de beelden. De toelichting hierboven is gebaseerd op de meest waarschijnlijke theorie, er stonden Oinomaüs en Sterope nou links of rechts van Zeus? Bovendien is men er nog niet uit wie welke rivier nou voorstelt, maar dat het rivieren zijn is wel duidelijk.

Het bijzondere van dit werk is vooral de vernieuwende compositie in de driehoek van het fronton.

En de moraal van het verhaal? Na de overmoed van Oinomaüs om de verliezers steeds te doden komt de gerechtigheid van zijn eigen ondergang.

Apollo, westelijk fronton Zeustempel,

Olympia, ca 460 v.Chr.

foto © willem van leeuwen

Het westelijk fronton

Aan de andere kant van de zaal zie je het westelijk fronton met Apollo in het midden. Terwijl het oostelijk fronton het moment van vlak voor de strijd laat zien, wordt in het westelijk fronton een afbeelding getoond van het heetst van de strijd. Het is de strijd tussen de centaurs en de Lapithen en je ziet in de beelden de spanning, emotie en kracht. Peirithoös, koning van de Lapithen had op zijn huwelijk met Deidameia ook zijn halfbroers de Centaurs uitgenodigd. De Centaurs konden zich echter niet beheersen, werden dronken en vergrepen zich aan de vrouwen van Lapithen. Er ontstond een verschrikkelijk gevecht.

Apollo probeert als god van harmonie en orde met een simpel gebaar de rust te herstellen. In zijn linkerhand houdt hij een boog vast. Naast hem staan Peirithoös (de koning der Lapithen) en diens vriend Theseus. Peirithoös probeert de koning van de centaurs (Eurytion) aan te vallen omdat die zijn bruid (Deidameia) probeert te confisqueren. Naar de hoeken toe wordt het gevecht wat minder heftig en in de hoeken wordt het gevecht gadegeslagen door Lapithen-vrouwen die duidelijk hun angst laten zien in hun gezichtsuitdrukking.

Vooral de beeldengroep van de bruid Deidameia en Eurytion is zeer bijzonder. Zij probeert door het lichaam te draaien uit zijn greep te komen. De kop van de centaur toont vooral brutaliteit en contrasteert met de schoonheid van de vrouwen.

Overal is spanning in dit fronton, zowel in de gezichtsuitdrukking als in de lichaamshoudingen en bewegingen. Je ziet als het ware het bloed door hun aderen stromen. Het resultaat zal de overwinning van de Lapithen zijn, maar dat is op het moment van afbeelding nog niet duidelijk. Wel duidelijk is de hiërarchie van god, man, vrouw, slaaf en het beest. De god, rustig en stevig in het midden. Hij ziet de verschrikking, maar raakt er niet door van streek. De Lapithen-mannen proberen ook niet in paniek te raken, de vrouwen lijden veel meer pijn, maar de centaurs, de beesten, tonen hun erotische lust, zijn dronken en verliezen zichzelf aan de vrouwen en jonge meisjes

Kortom hier zie je goddelijke standvastigheid of vastberadenheid, de discipline van de vrije mens, de uitbarsting van het beest en de realistische aanwezigheid van slaven. Maar de menselijke geest wint het van brute kracht.

 

Combinatiemogelijkheden

Op de heen- of terugweg kom je langs een paar aantrekkelijke plaatsjes, Vytina en Levidi, gelegen in een schitterende natuur (bergen met naaldbossen) iets ten noorden van Tripoli. Hier wordt ´s winters geskied. Beide stadjes zijn vrij toeristisch, maar niet overdreven.

Vervolgens kom je ook in de buurt van Dimitsana en Stemnitsa en de Lousioskloof, die in een apart hoofdstuk zijn besschreven. Het is te veel om Olympia met de Lousioskloof te combineren, maar een aardige stop onderweg kan Langkadia zijn. Een dorpje met een gigantisch hoogteverschil en mooie natuurstenen huizen. Men verkoopt er, net als in de andere dorpen in deze streek, honing, kaas en verse pasta’s. En ook net als de andere dorpen zijn de meeste bewoners bejaard en hebben de jongeren de wijk genomen naar de grote steden. In augustus is het er altijd erg druk omdat veel Grieken dan naar de hooggelegen dorpen in de bossen trekken om de vakantieperiode door te brengen en te genieten van de koelte en de zuivere lucht.

 

Pyrgos wordt als saaie en vervelende stad in de reisgidsen vergeleken met Tripoli en Megalopoli. Het centrum van de stad heeft verschillende gebouwen die ontworpen zijn door Ziller (zie Nauplion) en de kust in de buurt is interessant voor vogelaars. Aan de andere kant is de opgraving, het museum en de heen- en terugreis naar en van Olympia al indrukwekkend en vermoeiend genoeg en is het ook een prima idee om weer huiswaarts te keren.

Deidameia en Eurytion, westelijk fronton,

Olympia ca 460 v.Chr.

foto © willem van leeuwen

Lapithen-vrouwen, westelijk fronton,

Olympia ca 460 v.Chr.

foto © willem van leeuwen

Copyright © All Rights Reserved